ECLI:NL:RVS:2024:4140
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid na strafbeschikking
Appellant kreeg op 15 februari 2021 een strafbeschikking van € 200,- opgelegd wegens het sturen van bedreigende berichten naar een verkoper via Marktplaats. Naar aanleiding hiervan onthield de korpschef van politie op 24 december 2021 de toestemming aan Nederlandse Veiligheidsgroep B.V. om appellant beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef baseerde dit op artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, dat op 1 april 2022 werd afgewezen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 2 januari 2023. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 11 september 2024 en oordeelde dat de korpschef terecht mocht aannemen dat appellant niet betrouwbaar is voor beveiligingswerkzaamheden, gelet op de terugkijktermijn van vier jaar die geldt bij een strafbeschikking.
Appellant voerde aan dat de korpschef een subjectieve toets hanteert en de hardheidsclausule niet toepaste, maar de Afdeling verwierp dit. De hardheidsclausule kan alleen worden toegepast als aannemelijk is dat appellant alsnog betrouwbaar is, wat niet het geval was. De Afdeling bevestigde dat de korpschef geen ruimte had om van de terugkijktermijn af te wijken en dat het besluit op goede gronden is genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit om appellant de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden te onthouden vanwege onvoldoende betrouwbaarheid na een recente strafbeschikking.