ECLI:NL:RVS:2024:4167
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kostenverhaal bestuursdwang verwijdering zeecontainer in Den Haag
Op 5 oktober 2020 constateerde een gemeentelijk toezichthouder dat een zeecontainer zonder vergunning op de openbare weg bij Jupiterkade 36 in Den Haag stond, in strijd met artikel 2:10 van Pro de APV. Het college legde een last onder bestuursdwang op en verwijderde de container op 30 december 2020. Appellant meldde zich later als eigenaar en verzocht om teruggave, maar de container en inhoud werden vernietigd. Het college stelde de kosten van bestuursdwang vast en verhaalde deze op appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het kostenverhaal ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de container op zijn terrein stond, dat het college onvoldoende contact met hem zocht, dat hij niet de eigenaar was en dat de kosten buitensporig waren. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze gronden, onder meer omdat het proces-verbaal aantoonde dat de container op de openbare weg stond, appellant zelf het eigendom had bevestigd, en het college de stallingskosten al had verlaagd wegens te lange opslag.
De Afdeling benadrukte dat het hoger beroep zich alleen richt op het kostenverhaal en niet op de last onder bestuursdwang zelf, die onaantastbaar is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.