ECLI:NL:RVS:2024:4185

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
202303405/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • J.Th. Drop
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging meerderjarige kinderen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 juni 2021 de aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen, Jemenitische nationaliteit, wilden bij hun meerderjarige zoon in Nederland verblijven. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering, stelde de minister hoger beroep in.

De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom slechts in zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting tot gezinshereniging tussen meerderjarige kinderen en ouders bestaat en dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd dat het gezinsleven in Egypte kon worden voortgezet. De minister voerde aan dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij geen nieuw visum voor Egypte konden verkrijgen.

De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen onvoldoende bewijs hadden geleverd dat zij het gezinsleven niet in Egypte konden uitoefenen, omdat de overgelegde verlopen visa en verklaringen van de referent onvoldoende waren. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen, dat zich richtte tegen de belangenafweging omtrent de zelfstandigheid en leeftijd van de referent, werd ongegrond verklaard. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de positieve verplichting tot gezinshereniging zoals door de rechtbank aangegeven.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202303405/1/V1.
Datum uitspraak: 17 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 mei 2023 in zaak nr. NL22.13367 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 juni 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Overwegingen
Inleiding
1.       De vreemdelingen, met de Jemenitische nationaliteit, willen verblijf bij hun meerderjarige zoon, referent. De vreemdelingen verbleven ten tijde van de uitspraak van de rechtbank in Egypte. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat referent weliswaar valt onder het jongvolwassenenbeleid, maar de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt. De rechtbank heeft overwogen dat de minister een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd, omdat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom slechts in zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting tot gezinshereniging bestaat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders. Verder heeft zij overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen en referent het gezinsleven in Egypte kunnen uitoefenen. De rechtbank is de minister gevolgd in zijn standpunt dat hij de leeftijd en zelfstandigheid van referent en het economisch belang in het nadeel van de vreemdelingen heeft mogen meewegen.
Het hoger beroep van de minister
2.       De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de vreemdelingen met het overleggen van visa en de verklaringen van referent, een begin van bewijs hebben geleverd dat zij het gezinsleven niet in Egypte kunnen uitoefenen.
2.1.    De minister betoogt terecht dat de vreemdelingen met het overleggen van hun verlopen Egyptische visa niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen niet mogelijk is om in Egypte een nieuw visum te krijgen. Uit deze visa volgt immers alleen dat zij eerder rechtmatig in Egypte hebben verbleven, maar niet dat zij daar geen nieuw visum of rechtmatig verblijf kunnen krijgen. Ook de verklaringen van referent zijn, samen met de visa, onvoldoende voor het aannemen van een begin van bewijs. De minister voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat referent zijn stelling dat de Egyptische autoriteiten bij afwijzing van een visumaanvraag geen documenten verstrekken, niet heeft gestaafd. Verder heeft referent niet gestaafd dat zijn eigen visum is verlopen nadat hij meerderjarig is geworden en zijn visum niet verlengd kon worden. Ten slotte heeft hij ook niet gestaafd dat de visa van de vreemdelingen niet meer verlengd konden worden.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdelingen met hun visa en de verklaringen van referent een begin van bewijs hebben geleverd dat zij het gezinsleven niet kunnen uitoefenen in Egypte en het daarom op de weg van de minister lag om hier nader op in te gaan.
De grief slaagt.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen
3.       De vreemdelingen voeren tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in zijn belangenafweging ten onrechte in hun nadeel heeft meegewogen dat referent zelfstandig functioneert, omdat hij noodgedwongen van de vreemdelingen is gescheiden, en dat de minister ten onrechte zijn leeftijd in het nadeel heeft meegewogen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, onder 3.2 tot en met 3.4, volgt dat, ook als een referent valt onder het jongvolwassenenbeleid, de minister bij zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM rekening mag houden met de mate waarin een referent inmiddels zelfstandig functioneert. Dat de vreemdeling vanwege zijn 21-jarige leeftijd nog binnen het jongvolwassenenbeleid valt, laat onverlet dat de minister ook dat gegeven bij zijn belangenafweging heeft mogen betrekken. Het gaat namelijk om twee beoordelingskaders, te weten het vaststellen van gezinsleven en het vaststellen van een positieve verplichting om gezinsleven te faciliteren, waarbij de weging van de feiten kan verschillen.
De grief faalt.
Conclusie hoger beroepen
4.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. In hoger beroep komt hij niet op tegen de overweging van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom slechts bij zeer bijzondere omstandigheden een positieve verplichting bestaat tot gezinshereniging tussen meerderjarige kinderen en hun ouders. Dit betekent dat de minister evengoed een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van de vreemdelingen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen over de positieve verplichting. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie gegrond;
II.       verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024
977