ECLI:NL:RVS:2024:4287

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
202206028/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 RWNArt. 9 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-inwilliging paspoortaanvraag wegens ontbreken erkenning vader

De zaak betreft de weigering van de minister van Buitenlandse Zaken om de paspoortaanvraag van een minderjarige in Indonesië geboren zoon in behandeling te nemen. De vader, appellant sub 1, heeft een DNA-rapport overgelegd dat met grote waarschijnlijkheid zijn biologische vaderschap aantoont, maar heeft geen erkenningsakte kunnen overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vader niet-ontvankelijk en dat van de zoon ongegrond.

In hoger beroep betoogde de vader dat hij wel degelijk belanghebbende was, maar dit werd verworpen omdat de zoon meerderjarig was en geen machtiging was verstrekt. De zoon stelde dat het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel waren geschonden omdat andere niet-erkende kinderen wel een paspoort hadden gekregen. De Afdeling oordeelde dat geen sprake was van gelijke gevallen, omdat de andere kinderen wel erkend waren en dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen op een paspoort was gewekt.

De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht de aanvraag niet in behandeling nam, omdat de wettelijke voorwaarde van juridische erkenning niet was vervuld. De hoger beroepen zijn ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de paspoortaanvraag terecht niet in behandeling is genomen wegens ontbreken van juridische erkenning.

Uitspraak

202206028/1/A3.
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       [appellant sub 1], wonend [woonplaats],
2.       [appellant sub 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2022 in zaak nr. 21/5615 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2021 heeft de minister te kennen gegeven de aanvraag van [appellant sub 1] om een Nederlands paspoort voor zijn zoon [appellant sub 2] niet in behandeling te nemen.
Bij besluit van 2 juli 2021 heeft de minister het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant sub 1] ingestelde beroep niet-ontvankelijk.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2024, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant sub 2] is op [datum] 2023 in [geboorteplaats]) geboren. Zijn moeder is Indonesisch en in zijn geboorteakte staat geen vader vermeld. [appellant sub 2] heeft bij de geboorte de Indonesische nationaliteit verkregen, omdat dit de nationaliteit van zijn moeder is. [appellant sub 1] was niet met de moeder van [appellant sub 2] gehuwd.
1.1.    Voor [appellant sub 2] is op 14 april 2021 bij de Nederlandse ambassade in Jakarta (Indonesië) een Nederlands paspoort aangevraagd. Voor deze aanvraag heeft [appellant sub 1] als vader een ‘Toestemming ouder(s) voor minderjarige aanvrager(s)’ ingevuld. Hij heeft bij de paspoortaanvraag van [appellant sub 2] een DNA-rapport overgelegd, waaruit volgt dat [appellant sub 1] met een waarschijnlijkheid van 99,999999% de biologische vader van [appellant sub 2] is.
1.2.    De minister heeft de paspoortaanvraag van [appellant sub 2] niet in behandeling genomen, omdat [appellant sub 2] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap is voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door erkenning niet (enkel) het biologische vaderschap van [appellant sub 1] van belang, maar moet diens juridische vaderschap worden vastgesteld. De minister stelt dat [appellant sub 1] niet heeft aangetoond dat hij [appellant sub 2] naar Nederlands recht heeft erkend, omdat hij geen erkenningsakte heeft overgelegd. Het overgelegde DNA-rapport is geen bewijs van erkenning, aldus de minister.
Wettelijk kader
2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is bij het besluit van 2 juli 2021.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het beroep van [appellant sub 2] ongegrond is. Volgens de rechtbank heeft de minister de paspoortaanvraag van [appellant sub 2] terecht niet in behandeling genomen omdat [appellant sub 2] niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Volgens de rechtbank is namelijk niet gebleken dat [appellant sub 1] [appellant sub 2] heeft erkend.
Hoger beroep van [appellant sub 1]
4.       [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep niet-ontvankelijk is.
4.1.    Hoewel de Afdeling niet twijfelt aan de grote betrokkenheid van [appellant sub 1] bij [appellant sub 2] en de uitkomst van deze procedure, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is bij het besluit van 2 juli 2021. [appellant sub 2] was namelijk meerderjarig op het moment dat het besluit van 2 juli 2021 werd genomen en het beroep bij de rechtbank werd ingediend en [appellant sub 1] heeft geen schriftelijke machtiging overgelegd om namens [appellant sub 2] in rechte op te treden. Dit betekent dat het hoger beroep van [appellant sub 1] in hoger beroep ongegrond wordt verklaard.
Hoger beroep van [appellant sub 2]
5.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn paspoortaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Drie andere niet erkende kinderen van [appellant sub 1] uit Indonesië hebben namelijk wel een Nederlands paspoort verkregen. Net als bij zijn andere drie kinderen is bewijs geleverd dat [appellant sub 1] [appellant sub 2] in Nederland zou erkennen. Hij heeft in dit verband onder meer een e-mail overgelegd van mevrouw [gemeenteambtenaar], als ambtenaar werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Op de zitting bij de rechtbank heeft [appellant sub 1] bovendien verklaard dat hij met de gemeente Rotterdam een afspraak heeft gemaakt om, met het mandaat van [appellant sub 2], ervoor te zorgen dat [appellant sub 2] erkend wordt.
5.1.    De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant sub 1] [appellant sub 2] niet heeft erkend, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4, vierde lid, van de RWN. Voor zover [appellant sub 2] een beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel heeft gedaan, overweegt de Afdeling als volgt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt reeds niet, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. [appellant sub 1] heeft de andere drie kinderen eerder namelijk wel erkend en [appellant sub 2] nog niet. Dat het bij [appellant sub 2] later niet gelukt is om hem met een geldig visum naar Nederland te kunnen laten reizen om hier de erkenning te regelen, zoals volgens [appellant sub 1] de bedoeling was, is onvoldoende om van gelijke gevallen te spreken. Over het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat uit de door [appellant sub 2] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat hij hieraan een gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen. Daaruit blijkt niet van een toezegging namens de minister dat [appellant sub 2] een paspoort zou krijgen. De mail bevat informatie van een ambtenaar van de gemeente Rotterdam in antwoord op vragen van de gemachtigde van [appellant sub 2] over wat nodig is om [appellant sub 2] te kunnen erkennen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister de paspoortaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.                 De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024
735-1031
Bijlage
Wettelijk kader
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 4
[…]
4. Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
[…]
Paspoortwet
Artikel 9
1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.