ECLI:NL:RVS:2024:4357

Raad van State

Datum uitspraak
30 oktober 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
202406503/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 lid 2 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 7 september 2024 werd afgewezen. De vreemdeling ging in beroep bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 16 oktober 2024 het beroep gegrond verklaarde, het besluit van de minister vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft echter geoordeeld dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zonder verdere motivering.

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft het oordeel van de rechtbank dat het oorspronkelijke besluit van de minister niet in stand kan blijven, gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

202406503/1/V1.
Datum uitspraak: 30 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 oktober 2024 in zaak nr. NL24.35846 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6.1 en 6.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2024
977