ECLI:NL:RVS:2024:4365
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde na voorwaardelijke gevangenisstraf
Appellant verzocht op 19 juli 2022 om het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd op 1 maart 2023 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De reden was dat appellant op 11 maart 2022 door de politierechter was veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waardoor ernstige vermoedens bestonden dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 2 januari 2024 ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het beleid van de staatssecretaris in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en onvoldoende rekening houdt met de omstandigheden van het geval, met name dat hij first offender is en dat de strafrechter een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegde in plaats van een geldboete.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beleid van de staatssecretaris geen onderscheid hoeft te maken naar de zwaarte van de opgelegde gevangenisstraf en dat de persoonlijke omstandigheden van appellant onvoldoende bijzonder zijn om van het beleid af te wijken. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Nederlanderschap blijft gehandhaafd.