ECLI:NL:RVS:2022:2267
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatie wegens gevaar voor openbare orde ondanks bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht op 18 april 2018 om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees dit verzoek op 23 september 2019 af wegens ernstige vermoedens dat appellant een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit werd gebaseerd op een openstaande strafzaak wegens huiselijk geweld tegen zijn ex-partner en kinderen. Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat zijn omstandigheden geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van het beleid leiden. Hij verwees naar een eerdere veroordeling in 2015 en de lange duur van de strafprocedure.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het beleid in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) als uitgangspunt geldt, waarbij de rehabilitatietermijn begint te lopen na onherroepelijke veroordeling. De duur van de strafprocedure vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het beleid rechtvaardigt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de aangevoerde omstandigheden, zoals goed contact met familie en maatschappelijke participatie, prijzenswaardig zijn maar geen zeer bijzondere omstandigheden vormen.
De Afdeling stelde vast dat de rechtbank geen motiveringsgebrek had door artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet expliciet te noemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om naturalisatie wordt bevestigd wegens ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.