ECLI:NL:RVS:2024:4462
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking duurzaam verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 23 juli 2021 het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van de vreemdeling in. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 29 april 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de minister werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank had terecht een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vastgesteld omdat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of de vreemdeling recht heeft op verblijf op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Dit betreft met name de vraag of het verblijfsrecht kan worden toegekend ondanks dat de kinderen van de vreemdeling inmiddels meerderjarig zijn, zoals ook bevestigd in relevante arresten van het Hof van Justitie.
De Raad van State bevestigt dat het ontbreken van een deugdelijke motivering eenvoudig kan worden hersteld en dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die beantwoording in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming vereisen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.