ECLI:NL:RVS:2024:4532
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding na onrechtmatige grensdetentie op grond van tijdelijke beschermingsrichtlijn
De minister van Asiel en Migratie legde op 20 september 2024 aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op, namelijk grensdetentie. De vreemdeling, met de Oekraïense nationaliteit, voerde aan dat hij onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) viel en daarom niet in grensdetentie geplaatst mocht worden op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat Oekraïners die een beroep doen op de Richtlijn tijdelijke bescherming niet op grond van artikel 6 lid 3 Vw Pro 2000 in grensdetentie mogen worden geplaatst, verwijzend naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2024.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en het beroep alsnog gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €500 toegekend over de periode van 20 tot en met 24 september 2024 en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.625.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent de vreemdeling een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige grensdetentie.