ECLI:NL:RVS:2024:4799
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinverordening
De vreemdeling diende op 3 mei 2022 een asielaanvraag in, die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nederland werd later verantwoordelijk omdat de overdracht aan Italië niet tijdig plaatsvond. De minister verleende uiteindelijk een verblijfsvergunning met ingang van 11 maart 2023, de datum van een tweede aanvraag.
De vreemdeling maakte bezwaar tegen de vaststelling van deze ingangsdatum en stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde. De Raad van State oordeelde dat de minister niet van de vreemdeling mag eisen een nieuwe aanvraag in te dienen wanneer Nederland alsnog verantwoordelijk wordt, en dat de ingangsdatum moet worden vastgesteld op de datum van de oorspronkelijke aanvraag.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het besluit en stelde de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 3 mei 2022. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.625,00. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het besluit en zorgt voor definitieve geschilbeslechting.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 3 mei 2022 en het besluit van de minister wordt vernietigd.