Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft het verzoek om heroverweging afgewezen. Eiser heeft ter onderbouwing van de asielaanvraag nieuwe documenten en verklaringen maar het asielmotief in de eerste procedure had echter ook op een andere manier kunnen worden onderbouwd. Daarom zijn de nieuwe documenten en verklaringen geen nieuw gebleken feiten en omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De homoseksuele gerichtheid van eiser werd in de eerste procedure niet geloofwaardig geacht, omdat onvoldoende inzicht is verschaft in de gevoelens en gedachtegang over de gerichtheid, terwijl dit wel verwacht mocht worden. Dit oordeel is in rechte vast komen te staan. Niet is gebleken dat de minister op basis van de informatie die hij ten tijde van de eerste aanvraag had anders had moeten oordelen.
De minister volgt eiser er niet in dat de asielaanvraag met ingang van 20 augustus 2019 ingewilligd dient te worden omdat na het Dublintraject geen nieuwe aanvraag nodig was. De aanvraag is niet met terugwerkende kracht ingewilligd en ten tijde van de opname in de nationale procedure op 20 juni 2020 was het beleid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Toepassing van artikel 4:6 van de Awb is volgens de minister in dit geval niet evident onredelijk. De afwijzing heeft alleen tot gevolg dat eiser niet een verblijfsvergunning krijgt met een eerdere inwilligingsdatum en met de verlening van de asielvergunning heeft eiser gekregen wat hij beoogde: bescherming tegen refoulement. Deze bescherming is niet met terugwerkende kracht van toepassing maar is gericht op de toekomst. Er zijn geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot heroverweging evident onredelijk is.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning moet afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet.Daarbij geldt dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Ook later bekend geworden informatie waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning kan ertoe leiden dat de minister van een eerder besluit moet terugkomen. Artikel 44, tweede lid, van de Vw staat bij een besluit op een verzoek om bestuurlijke heroverweging niet in de weg aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging.
Nieuwe feiten en omstandigheden
5. De minister heeft beoordeeld of eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Zijn die er en blijkt daaruit dat de vreemdeling al eerder aan de vereisten voor vergunningverlening voldeed, dan wordt het verzoek ingewilligd. Zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden, dan wijst de minister het verzoek af.
6. Eiser heeft zich tegen deze wijze van beoordeling niet verzet. Wel heeft eiser aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden, er was immers sprake van identiteitsgroei.
7. In het besluit op de eerste asielaanvraag heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij, na meerdere keren daarnaar gevraagd te zijn, met gedetailleerde, consistente en persoonlijke verklaringen vertelt over de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid, de gevoelens die hij daarbij had en hoe hij daarmee is omgegaan, en dat hij daar niet in is geslaagd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Dat betekent voor het verzoek om heroverweging dat als eiser bij zijn opvolgende aanvraag zaken naar voren brengt die ertoe leiden dat de aanvraag alsnog wordt ingewilligd, maar dat zaken zijn die hij ook al in de eerdere procedure naar voren had kunnen brengen, er van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is.
8. In het besluit op de opvolgende asielaanvraag waarmee de aanvraag alsnog is ingewilligd staat niet waarom de aanvraag is ingewilligd. Uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat dit was omdat eiser, anders dan in de eerste procedure, nu wel voldoende inzicht heeft verschaft in de gevoelens en gedachtegang over zijn gerichtheid. De minister heeft dit ter zitting bevestigd. Daarbij heeft de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat identiteitsgroei echter geen nieuw feit kan zijn omdat de gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt.
9. De rechtbank stelt vast dat in het beleid van de minister het begrip ‘identiteitsgroei’ niet wordt ingevuld. Ook in de rechtspraak wordt dit begrip niet eenduidig ingevuld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om uit te gaan van de feiten en omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht en te beoordelen of de minister daarvan heeft kunnen zeggen dat het geen nieuwe feiten zijn.
10. Eiser heeft erop gewezen dat hij in de eerste procedure door geslotenheid vanuit zijn verleden in het land van herkomst en door angst en gebrek aan zelfvertrouwen niet in staat was zijn gevoelens en gedachtegang over zijn geaardheid goed onder woorden te brengen. Eiser stelt dat hij nu juist over deze angst heen gestapt is en identiteitsgroei op persoonlijk en sociaal gebied heeft doorgemaakt waardoor hij bij de opvolgende aanvraag wel in staat was geloofwaardige verklaringen af te leggen over zijn geaardheid. Eiser verwijst daarnaast naar de door hem overgelegde ondersteunende verklaringen. Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat de groei hem erin zit dat hij zich beter kan uiten en openlijker actief is geweest in Nederland en dat hij in die zin is gegroeid in het uiten van zijn identiteit.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser daarmee - kort gezegd – stelt dat hij is veranderd en nu wel en toen niet goed kon verklaren. Feit is dat de minister op basis van de verklaringen die eiser in het kader van zijn tweede aanvraag heeft afgelegd (de ‘nieuwe’ verklaringen) de aanvraag heeft ingewilligd. De verklaringen afgelegd tijdens de eerste procedure vond de minister niet voldoende maar de nieuwe verklaringen, met het steunbewijs, dus wel. Wat dan overblijft is de vraag of eiser die nieuwe verklaringen eerder naar voren had kunnen brengen.
12. Uit wat eiser in de tweede procedure naar voren heeft gebracht volgt dat hij zich in wezen op het standpunt stelt dat hij door zijn verblijf in Nederland en de ervaringen die hij heeft opgedaan, tijdens de tweede aanvraag een andere persoon was dan de persoon die hij was bij de eerste aanvraag. De rechtbank acht dat niet zonder meer onaannemelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen kunnen veranderen door de ervaringen die zij opdoen. Maar dat laat onverlet dat in de eerste procedure is geoordeeld zoals in rechtsoverweging 7 is opgenomen. Dus ook van de persoon die eiser in de eerste procedure was, mochten – kort gezegd - overtuigende verklaringen over zijn seksuele gerichtheid worden verwacht. Dat eiser daar in de tweede procedure mee komt, is dan geen nieuw feit.
13. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat er geen grond is voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen die eiser tijdens de tweede procedure heeft afgelegd, en het steunbewijs dat hij heeft geleverd, geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn omdat deze ook al in de eerste procedure naar voren gebracht hadden kunnen worden.
14. Aan de voorwaarden om het verzoek om heroverweging met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te kunnen afwijzen was dus voldaan. De minister moest daar alleen vanaf zien als dat tot een evident onredelijke uitkomst zou leiden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
15. De minister heeft gesteld dat seksuele gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt. De rechtbank volgt dat. Gezien de verleende verblijfsvergunning meent de minister dat eiser de gestelde seksuele gerichtheid heeft. Dat betekent dus dat de minister erkent dat eiser die tijdens de eerste procedure ook al had. Niettemin eist de minister in een geval als dit, waarin tijdens de eerste procedure niet overtuigend is verklaard maar in de tweede wel, dat de verklaringen afgelegd tijdens de tweede procedure nieuw zijn. Die zullen echter nooit nieuw zijn omdat in rechte vaststaat dat eiser die verklaringen ook tijdens de eerste procedure had kunnen afleggen. Dat leidt ertoe dat de minister wel erkent dat eiser altijd de door hem gestelde seksuele gerichtheid heeft gehad, maar daaraan nimmer consequenties verbindt voor wat betreft de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel. De rechtbank is van oordeel dat dat evident onredelijk is. Zij betrekt daarbij verder dat de seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en erkenning daarvan door het verzoek om heroverweging in te willigen zwaarder weegt dan het belang dat de minister heeft bij het niet vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. Dat, zoals de minister stelt, eiser een verblijfsvergunning heeft gekregen en dus heeft gekregen waar het in de asielprocedure om gaat, namelijk bescherming tegen refoulement, neemt die onredelijkheid niet weg. De rechtbank wijst er daarbij op dat aan eiser een vergunning is verleend omdat de minister hem als vluchteling heeft erkend, wat, ook gelet op het declaratoire karakter van het vluchtelingschap, meer is dan een bescherming tegen refoulement.