ECLI:NL:RBDHA:2026:672

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.14174
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om heroverweging van de ingangsdatum van de asielvergunning in verband met seksuele gerichtheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 13 januari 2026, wordt het verzoek van eiser om heroverweging van de ingangsdatum van zijn asielvergunning behandeld. Eiser had eerder een asielaanvraag ingediend die was afgewezen, maar diende op 8 mei 2023 een opvolgende aanvraag in. De minister verleende hem een verblijfsvergunning asiel, maar de ingangsdatum was vastgesteld op 8 mei 2023, terwijl eiser stelde dat deze terug zou moeten gaan naar 20 augustus 2019, de datum van zijn eerste aanvraag. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van het verzoek om heroverweging evident onredelijk is, omdat de minister de seksuele gerichtheid van eiser niet had erkend in de eerste procedure, maar deze nu wel erkent. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en stelt de ingangsdatum van de asielvergunning vast op 11 augustus 2020, de datum waarop eiser zijn asielwens kenbaar maakte. De rechtbank wijst erop dat de seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en dat erkenning daarvan door de minister zwaarder weegt dan het belang van de minister bij het niet vaststellen van een eerdere ingangsdatum. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14174

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om heroverweging (bestreden besluit) dat eiser heeft ingediend. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de heroverweging niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 wordt het bestreden besluit weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 augustus 2020 een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 2 juli 2021 en die afwijzing heeft tot in hoger beroep standgehouden. Op 8 mei 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft de minister eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw [1] verleend, geldig van 8 mei 2023 tot 8 mei 2028.
2.1
Op 24 oktober 2024 heeft eiser een verzoek om heroverweging ingediend. Bij het bestreden besluit van 25 maart 2025 is dat verzoek afgewezen.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft het verzoek om heroverweging afgewezen. Eiser heeft ter onderbouwing van de asielaanvraag nieuwe documenten en verklaringen maar het asielmotief in de eerste procedure had echter ook op een andere manier kunnen worden onderbouwd. Daarom zijn de nieuwe documenten en verklaringen geen nieuw gebleken feiten en omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb [2] . De homoseksuele gerichtheid van eiser werd in de eerste procedure niet geloofwaardig geacht, omdat onvoldoende inzicht is verschaft in de gevoelens en gedachtegang over de gerichtheid, terwijl dit wel verwacht mocht worden. Dit oordeel is in rechte vast komen te staan. Niet is gebleken dat de minister op basis van de informatie die hij ten tijde van de eerste aanvraag had anders had moeten oordelen.
De minister volgt eiser er niet in dat de asielaanvraag met ingang van 20 augustus 2019 ingewilligd dient te worden omdat na het Dublintraject geen nieuwe aanvraag nodig was. De aanvraag is niet met terugwerkende kracht ingewilligd en ten tijde van de opname in de nationale procedure op 20 juni 2020 was het beleid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Toepassing van artikel 4:6 van de Awb is volgens de minister in dit geval niet evident onredelijk. De afwijzing heeft alleen tot gevolg dat eiser niet een verblijfsvergunning krijgt met een eerdere inwilligingsdatum en met de verlening van de asielvergunning heeft eiser gekregen wat hij beoogde: bescherming tegen refoulement. Deze bescherming is niet met terugwerkende kracht van toepassing maar is gericht op de toekomst. Er zijn geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot heroverweging evident onredelijk is.
Het juridische kader
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning moet afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet. [3] Daarbij geldt dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Ook later bekend geworden informatie waaruit volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning kan ertoe leiden dat de minister van een eerder besluit moet terugkomen. Artikel 44, tweede lid, van de Vw staat bij een besluit op een verzoek om bestuurlijke heroverweging niet in de weg aan het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging.
Nieuwe feiten en omstandigheden
5. De minister heeft beoordeeld of eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Zijn die er en blijkt daaruit dat de vreemdeling al eerder aan de vereisten voor vergunningverlening voldeed, dan wordt het verzoek ingewilligd. Zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden, dan wijst de minister het verzoek af.
6. Eiser heeft zich tegen deze wijze van beoordeling niet verzet. Wel heeft eiser aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden, er was immers sprake van identiteitsgroei.
7. In het besluit op de eerste asielaanvraag heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij, na meerdere keren daarnaar gevraagd te zijn, met gedetailleerde, consistente en persoonlijke verklaringen vertelt over de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid, de gevoelens die hij daarbij had en hoe hij daarmee is omgegaan, en dat hij daar niet in is geslaagd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Dat betekent voor het verzoek om heroverweging dat als eiser bij zijn opvolgende aanvraag zaken naar voren brengt die ertoe leiden dat de aanvraag alsnog wordt ingewilligd, maar dat zaken zijn die hij ook al in de eerdere procedure naar voren had kunnen brengen, er van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is.
8. In het besluit op de opvolgende asielaanvraag waarmee de aanvraag alsnog is ingewilligd staat niet waarom de aanvraag is ingewilligd. Uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat dit was omdat eiser, anders dan in de eerste procedure, nu wel voldoende inzicht heeft verschaft in de gevoelens en gedachtegang over zijn gerichtheid. De minister heeft dit ter zitting bevestigd. Daarbij heeft de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat identiteitsgroei echter geen nieuw feit kan zijn omdat de gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt.
9. De rechtbank stelt vast dat in het beleid van de minister het begrip ‘identiteitsgroei’ niet wordt ingevuld. Ook in de rechtspraak wordt dit begrip niet eenduidig ingevuld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om uit te gaan van de feiten en omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht en te beoordelen of de minister daarvan heeft kunnen zeggen dat het geen nieuwe feiten zijn.
10. Eiser heeft erop gewezen dat hij in de eerste procedure door geslotenheid vanuit zijn verleden in het land van herkomst en door angst en gebrek aan zelfvertrouwen niet in staat was zijn gevoelens en gedachtegang over zijn geaardheid goed onder woorden te brengen. Eiser stelt dat hij nu juist over deze angst heen gestapt is en identiteitsgroei op persoonlijk en sociaal gebied heeft doorgemaakt waardoor hij bij de opvolgende aanvraag wel in staat was geloofwaardige verklaringen af te leggen over zijn geaardheid. Eiser verwijst daarnaast naar de door hem overgelegde ondersteunende verklaringen. Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat de groei hem erin zit dat hij zich beter kan uiten en openlijker actief is geweest in Nederland en dat hij in die zin is gegroeid in het uiten van zijn identiteit.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser daarmee - kort gezegd – stelt dat hij is veranderd en nu wel en toen niet goed kon verklaren. Feit is dat de minister op basis van de verklaringen die eiser in het kader van zijn tweede aanvraag heeft afgelegd (de ‘nieuwe’ verklaringen) de aanvraag heeft ingewilligd. De verklaringen afgelegd tijdens de eerste procedure vond de minister niet voldoende maar de nieuwe verklaringen, met het steunbewijs, dus wel. Wat dan overblijft is de vraag of eiser die nieuwe verklaringen eerder naar voren had kunnen brengen.
12. Uit wat eiser in de tweede procedure naar voren heeft gebracht volgt dat hij zich in wezen op het standpunt stelt dat hij door zijn verblijf in Nederland en de ervaringen die hij heeft opgedaan, tijdens de tweede aanvraag een andere persoon was dan de persoon die hij was bij de eerste aanvraag. De rechtbank acht dat niet zonder meer onaannemelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen kunnen veranderen door de ervaringen die zij opdoen. Maar dat laat onverlet dat in de eerste procedure is geoordeeld zoals in rechtsoverweging 7 is opgenomen. Dus ook van de persoon die eiser in de eerste procedure was, mochten – kort gezegd - overtuigende verklaringen over zijn seksuele gerichtheid worden verwacht. Dat eiser daar in de tweede procedure mee komt, is dan geen nieuw feit.
13. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat er geen grond is voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen die eiser tijdens de tweede procedure heeft afgelegd, en het steunbewijs dat hij heeft geleverd, geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn omdat deze ook al in de eerste procedure naar voren gebracht hadden kunnen worden.
Evident onredelijk
14. Aan de voorwaarden om het verzoek om heroverweging met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te kunnen afwijzen was dus voldaan. De minister moest daar alleen vanaf zien als dat tot een evident onredelijke uitkomst zou leiden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
15. De minister heeft gesteld dat seksuele gerichtheid iets is dat je hebt of niet hebt. De rechtbank volgt dat. Gezien de verleende verblijfsvergunning meent de minister dat eiser de gestelde seksuele gerichtheid heeft. Dat betekent dus dat de minister erkent dat eiser die tijdens de eerste procedure ook al had. Niettemin eist de minister in een geval als dit, waarin tijdens de eerste procedure niet overtuigend is verklaard maar in de tweede wel, dat de verklaringen afgelegd tijdens de tweede procedure nieuw zijn. Die zullen echter nooit nieuw zijn omdat in rechte vaststaat dat eiser die verklaringen ook tijdens de eerste procedure had kunnen afleggen. Dat leidt ertoe dat de minister wel erkent dat eiser altijd de door hem gestelde seksuele gerichtheid heeft gehad, maar daaraan nimmer consequenties verbindt voor wat betreft de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel. De rechtbank is van oordeel dat dat evident onredelijk is. Zij betrekt daarbij verder dat de seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en erkenning daarvan door het verzoek om heroverweging in te willigen zwaarder weegt dan het belang dat de minister heeft bij het niet vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. Dat, zoals de minister stelt, eiser een verblijfsvergunning heeft gekregen en dus heeft gekregen waar het in de asielprocedure om gaat, namelijk bescherming tegen refoulement, neemt die onredelijkheid niet weg. De rechtbank wijst er daarbij op dat aan eiser een vergunning is verleend omdat de minister hem als vluchteling heeft erkend, wat, ook gelet op het declaratoire karakter van het vluchtelingschap, meer is dan een bescherming tegen refoulement.

Conclusie en gevolgen

16. De minister heeft het verzoek om heroverweging ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd is met de wet. [4] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
17. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en zal het verzoek om heroverweging inwilligen en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel bepalen. Zij doet dit in het kader van de definitieve geschillenbeslechting en omdat een alternatief, de minister opdragen een nieuw besluit te nemen, niet tot de uitkomst zal kunnen leiden dat het verzoek om heroverweging kan worden afgewezen, gelet op wat is overwogen over de evidente onredelijkheid.
18. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024 [5] en de daaruit volgende lijn [6] dat bij het ongebruikt verstrijken van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening de oorspronkelijke asielaanvraag weer openvalt en Nederland verantwoordelijk wordt voor de nationale behandeling, zal de rechtbank de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepalen op de datum van eerste aanvraag van eiser.
19. Uit de loopbrief die in het dossier is opgenomen volgt dat eiser zijn asielwens op 18 augustus 2019 in persoon tegenover de autoriteiten kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel daarom vast op deze datum [7] en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
19.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het
Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand vast op € 1868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 maart 2025;
- bepaalt dat het verzoek om heroverweging wordt ingewilligd, stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 11 augustus 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1430, ECLI:NL:RVS:2021:1431 en ECLI:NL:RVS:2021:1432.
4.Artikel 3:46 van de Awb.
5.ECLI:NL:RVS:2024:881 onder 4.6 en 5.2.
6.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:4799, onder 2 en ECLI:NL:RVS:2025:159, onder 2.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159, onder 3.2.