ECLI:NL:RBDHA:2026:672
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank stelt eerdere ingangsdatum asielvergunning vast wegens evidente onredelijkheid minister
Eiser diende in augustus 2020 een asielaanvraag in die werd afgewezen, waarna hij in mei 2023 een opvolgende aanvraag deed die werd ingewilligd met ingang van die datum. De minister wees het verzoek om heroverweging af omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelt dat hoewel de minister terecht stelde dat de seksuele gerichtheid van eiser iets is dat je hebt of niet hebt, het standpunt dat de verklaringen uit de tweede procedure geen nieuwe feiten zijn omdat ze ook in de eerste procedure hadden kunnen worden gegeven, evident onredelijk is. De rechtbank weegt mee dat seksuele gerichtheid een fundamenteel onderdeel van iemands identiteit is en dat erkenning daarvan zwaarder weegt dan het belang van de minister.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 11 augustus 2020, de datum van de eerste aanvraag. Tevens veroordeelt zij de minister tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de ingangsdatum van de asielvergunning vast op 11 augustus 2020.