ECLI:NL:RVS:2024:4864
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake omgevingsvergunning hekwerk in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk verleende op 18 maart 2020 een omgevingsvergunning aan een landbouwmechanisatiebedrijf voor het uitbreiden van een hekwerk. Appellant, wonend tegenover het perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde het besluit en oordeelde dat het gebruik van het hekwerk in strijd was met het bestemmingsplan, waardoor een omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan vereist was.
Het college handhaafde vervolgens de vergunning bij een nieuw besluit op bezwaar van 23 mei 2022, zonder appellant opnieuw te horen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat er geen reden was om appellant opnieuw te horen en dat het college een belangenafweging had gemaakt waarbij ook het belang van appellant was betrokken.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat van horen kon worden afgezien en dat de belangenafweging onvoldoende was. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant deze stellingen niet concreet had onderbouwd en dat het college de belangen van appellant voldoende had meegewogen. Ook het bezwaar tegen de toegepaste wegingsfactor bij proceskosten wegens termijnoverschrijding werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.