ECLI:NL:RVS:2024:4982
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- N. Verheij
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voeren van de titel doctorandus op grond van Cubaans diploma kunstgeschiedenis
Appellante heeft een diploma kunstgeschiedenis behaald aan de Universiteit van Oriente in Cuba, erkend als gelijkwaardig aan een Nederlandse WO-bachelor volgens een Nuffic-verklaring. Zij verzocht om toestemming de titel doctorandus te voeren, die is voorbehouden aan personen met een afgeronde WO-master.
De minister wees dit verzoek af omdat het Cubaanse diploma niet gelijkwaardig is aan een Nederlandse WO-master. De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de Nuffic-verklaring deskundig is en dat het lagere beginniveau en de inhoud van de opleiding niet overeenkomen met een masteropleiding.
In hoger beroep betoogde appellante dat de Nuffic onvoldoende rekening hield met het Cubaanse onderwijssysteem en de nominale studieduur van vijf jaar. De Raad van State verwierp dit en bevestigde dat de minister terecht mocht afgaan op het oordeel van de Nuffic, dat het eindniveau niet gelijkwaardig is aan een master.
Ook werd geoordeeld dat het te laat indienen van een e-mail geen schending van de goede procesorde opleverde en dat het horen van appellante in bezwaar niet noodzakelijk was omdat het bezwaar geen aanleiding gaf tot een ander besluit.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot het voeren van de titel doctorandus bevestigd.