ECLI:NL:RVS:2024:5007
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving tegen drie zelfstandige woningen zonder omgevingsvergunning in Soest
Het college van burgemeester en wethouders van Soest legde op 10 maart 2021 een last onder dwangsom op aan de appellant vanwege het realiseren en in stand houden van drie zelfstandige woningen zonder omgevingsvergunning op een perceel te Soest. De appellant betwistte dit, stellende dat de voorzieningen door een rechtsvoorganger waren aangebracht en dat handhaving niet mogelijk was op grond van de Wabo. De rechtbank oordeelde echter dat het bouwen van de voorzieningen vergunningplichtig was en dat handhaving gerechtvaardigd was omdat de appellant het gebruik in strijd met het bestemmingsplan voortzette.
De appellant voerde tevens aan dat de last onder dwangsom een criminal charge zou zijn in de zin van het EVRM, maar de rechtbank verwierp dit omdat de dwangsom een reparatoire sanctie betreft. Ook andere bezwaren zoals schending van hoorplicht, zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel werden door de rechtbank gemotiveerd afgewezen.
De Raad van State bevestigt deze overwegingen en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te betalen. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2022 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; handhaving tegen drie zelfstandige woningen zonder vergunning bevestigd.