ECLI:NL:RVS:2024:5015
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering omgevingsvergunning voor bouwkundige splitsing woning in Utrecht wegens leefbaarheidstoets
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen van een pand in Utrecht tot twee appartementen. De appellant, eigenaar van het pand, had de splitsing al uitgevoerd en vroeg een vergunning aan voor deze werkzaamheden. Het college baseerde de weigering op het niet voldoen aan de leefbaarheidstoets uit de gemeentelijke beleidsregels, omdat de benedenwoning kleiner is dan 50 m².
De appellant stelde dat de splitsing al in 2002 of eerder had plaatsgevonden, toen nog geen vergunningplicht zou hebben gegolden. Hij overlegde verklaringen van een aannemer en een vorige huurder/eigenaar ter onderbouwing. De Raad van State oordeelde echter dat deze verklaringen onvoldoende objectief bewijs bevatten en concludeerde dat de splitsing niet aannemelijk vóór 2018 heeft plaatsgevonden, het moment waarop de vergunningplicht zeker gold.
Verder voerde de appellant aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden door een e-mail waarin bewoning van de benedenverdieping werd toegestaan. De Raad van State verwierp deze stellingen, stellende dat de e-mail alleen betrekking had op bestemmingsplanconform gebruik en niet op vergunningverlening voor splitsing.
De Raad van State bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de weigering van de vergunning terecht was en dat het college de leefbaarheid van de wijk mocht laten prevaleren boven het belang van de appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.