ECLI:NL:RVS:2024:5059
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf
De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 4 april 2023 aanvragen van twee vreemdelingen om een visum voor kort verblijf afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd op 8 mei 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen tegen deze afwijzing eveneens ongegrond op 25 september 2024.
De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat zij onbevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen, omdat artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 expliciet bepaalt dat tegen besluiten over een visum voor kort verblijf geen hoger beroep openstaat.
De vreemdelingen voerden geen gronden aan die het verbod op hoger beroep konden doorbreken, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen wegens het verbod op hoger beroep tegen visumafwijzingen voor kort verblijf.