Uitspraak
Datum uitspraak: 11 december 2024
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
Appellant, ingeschreven bij de opleiding HBO-ICT aan Hogeschool Windesheim, ontving voor het vak Project Web Development een onvoldoende beoordeling (3.6) door de examinatoren, ondanks positieve beoordelingen van de bedrijfsmentor tijdens zijn stage. Appellant betwistte deze beoordeling en stelde dat de beoordeling onzorgvuldig, onvolledig en onredelijk was, mede vanwege het ontbreken van tussentijdse feedback en vermeende ondeskundigheid van de eerste begeleider.
Het College van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond, stellende dat het niet kan treden in de inhoudelijke beoordeling, maar alleen kan toetsen op zorgvuldigheid en redelijkheid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat de examinatoren niet verplicht waren tussentijds feedback te geven en dat het late inleveren van het portfolio voor rekening van appellant komt.
Verder oordeelt de Afdeling dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de begeleiding en beoordeling ondeskundig of onzorgvuldig was. Ook is geen sprake van toezeggingen die een voldoende beoordeling rechtvaardigen. De stelling dat de beoordeling meer op gedrag dan op inhoud was gebaseerd, is niet aannemelijk gemaakt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de onvoldoende beoordeling wordt ongegrond verklaard.