ECLI:NL:RVS:2024:1296
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van tentamenbeoordeling personen- en familierecht aan Universiteit van Amsterdam
Een derdejaarsstudent Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam kreeg voor de herkansing van het tentamen personen- en familierecht een 5,0 als beoordeling. Hij stelde administratief beroep in tegen deze beoordeling, maar het college van beroep voor de examens verklaarde dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:4, derde lid, Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onjuist was, omdat artikel 8:4 Awb Pro niet van toepassing is op administratief beroep bij bestuursorganen. De Afdeling vernietigt daarom de beslissing van het college en toetst het administratief beroep inhoudelijk aan de maatstaf van artikel 7:61, tweede lid, WHW.
De student voerde aan dat het tentamen onzorgvuldig was samengesteld, met onduidelijke vragen en een onjuiste raadkanscorrectie, en dat het onevenredig was dat hij het vak opnieuw moest volgen. De Afdeling stelt vast dat de examencommissie zorgvuldig heeft gehandeld, dat de toetsdeskundige de fouten als niet zorgwekkend beoordeelde, en dat de beleidskeuze voor een meerkeuzetentamen verantwoord is.
De Afdeling concludeert dat de tentamenbeoordeling rechtmatig is en verklaart het administratief beroep ongegrond. Het college moet het betaalde griffierecht vergoeden, maar geen proceskosten.
Uitkomst: Het administratief beroep wordt ongegrond verklaard en de tentamenbeoordeling blijft in stand.