ECLI:NL:RVS:2024:5119
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vergunningplicht omzetting woonruimte Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende aanvankelijk een vergunning voor omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte voor zes personen aan de eigenaren van een pand aan een locatie in Den Haag. Later trok het college deze vergunning in op basis van een gewijzigde beleidsregel die een vergunningplicht voor omzetting instelde om het woon- en leefmilieu te beschermen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaren gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en oordeelde dat de vergunningplicht voor het hogere segment woningen niet van toepassing mocht zijn wegens strijd met zorgvuldige besluitvorming en motiveringsbeginsel. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemeenteraad pas een vergunningplicht mag instellen als dat noodzakelijk is voor het bestrijden van schaarste aan goedkope woonruimte en dat de vergunningplicht voor het hogere segment buiten toepassing moet blijven. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het college gegrond.
Daarnaast is de redelijke termijn overschreden met ongeveer acht maanden, waarvoor het college en de Staat ieder de helft van een schadevergoeding van €1000 moeten betalen aan de eigenaren. Ook worden proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding aan de eigenaren toegekend.
De zaak betreft de toepassing van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en de Huisvestingswet 2014, met nadruk op vergunningplicht voor omzetting van woonruimte en de motivering van beleidsregels.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het college en de Staat veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.