ECLI:NL:RVS:2024:5215
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 16 november 2022 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat op 11 september 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 november 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep gaf de vreemdeling echter geen inhoudelijke gronden waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel vellen over het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 december 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog tegen de uitspraak van de rechtbank.