ECLI:NL:RVS:2024:5457
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep en voorlopige voorziening
De vreemdeling had bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd bij besluit van 16 juli 2024 afgewezen. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, die op 6 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zodat het hoger beroep ongegrond werd verklaard.
Daarnaast werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De Afdeling overwoog dat een gewijzigde situatie in Syrië niet in het kader van deze zaak kon worden betrokken, maar dat de vreemdeling dit kon aanvoeren in een nieuwe aanvraag. De minister werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; afwijzing verblijfsvergunning bevestigd.