ECLI:NL:RVS:2024:55

Raad van State

Datum uitspraak
11 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
202302007/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De vreemdelingen hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 september 2019 is afgewezen. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 14 december 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 2 maart 2023 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris stelde incidenteel hoger beroep in. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening en concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E. Steendijk op 11 januari 2024, in aanwezigheid van griffier A.M.L. Hanrath.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202302007/2/V1.
Datum uitspraak: 11 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5]
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 maart 2023 in zaak nr. 20/9455 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen hebben een zienswijze naar voren gebracht en een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Steendijk
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024
392