ECLI:NL:RVS:2024:725
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening huurtoeslag 2018 op grond van gewijzigde inkomensgegevens
De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 3 april 2021 de huurtoeslag van appellant over 2018 herzien en vastgesteld op nihil, naar aanleiding van een melding van de basisregistratie inkomen (BRI) waaruit een gezamenlijk toetsingsinkomen van €30.871 bleek. Hierdoor werd een bedrag van €2.972 teruggevorderd. Op 9 februari 2022 meldde de BRI een verzamelinkomen van €-3.398, waarop de Belastingdienst/Toeslagen op 8 maart 2022 een herziene berekening maakte en de huurtoeslag vaststelde op €2.812, met terugbetaling van te weinig ontvangen voorschotten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 27 mei 2021 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 8 maart 2022 ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank de wet onjuist had toegepast, onder meer omdat de Belastingdienst/Toeslagen onrechtmatig had gehandeld en artikel 21 Awir Pro had moeten toepassen. Tevens werd betoogd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding had afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht en tijdig de huurtoeslag heeft herzien op basis van de inkomensgegevens uit de BRI, conform artikel 20 Awir Pro. De aangevoerde argumenten van appellant zijn grotendeels herhalingen van eerdere bezwaren die door de rechtbank gemotiveerd zijn beoordeeld. Artikel 21 Awir Pro is niet van toepassing in deze situatie. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de huurtoeslag 2018 wordt bevestigd.