ECLI:NL:RVS:2023:2951
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgtoeslag 2016 en dwangsom door Belastingdienst/Toeslagen
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om het recht op zorgtoeslag over 2016 op nihil vast te stellen, omdat zijn inkomen volgens hem onjuist was vastgesteld door een foutieve registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht is uitgegaan van het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen.
Appellant stelde dat de Belastingdienst/Toeslagen als één bestuursorgaan moet worden gezien met de Belastingdienst en dat daardoor het inkomen ook in deze procedure herzien moet worden. De Afdeling overwoog dat de vaststelling van het inkomen een aparte procedure betreft en dat de Belastingdienst/Toeslagen het recht op zorgtoeslag zal heroverwegen indien het inkomen wordt gewijzigd.
Verder werd het beroep op de hardheidsclausule uit artikel 49 Awir Pro (oud) verworpen, omdat deze specifiek ziet op kinderopvangtoeslag en niet op zorgtoeslag. Ook het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd afgewezen, omdat geen ingebrekestelling was ontvangen.
De Afdeling concludeert dat appellant voldoende rechtsbescherming heeft via de belastingrechter en bevestigt het eerdere vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van het recht op zorgtoeslag 2016 op nihil wordt bevestigd.