ECLI:NL:RVS:2024:791
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening exploitatievergunning passagiersvaart Amsterdam Boothuur
Amsterdam Boothuur verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij haar exploitatievergunning, die tot 1 maart 2024 geldig is, kan blijven gebruiken totdat in de hoofdzaak een einduitspraak is gedaan. De vergunning betreft het inzetten van een vaartuig voor passagiersvaart.
De voorzieningenrechter beoordeelde eerst of sprake was van onverwijlde spoed, zoals vereist volgens artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Een financieel belang alleen is onvoldoende om een voorlopige voorziening toe te kennen, tenzij aannemelijk is dat de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt en er sprake is van een financiële noodsituatie.
Amsterdam Boothuur kon niet aannemelijk maken dat zij door het verlies van één exploitatievergunning per 1 maart 2024 in een financiële noodsituatie zou komen, aangezien zij nog over twee andere vergunningen beschikt en bovendien een nieuwe vergunning verkrijgt per die datum. Hierdoor was er geen spoedeisend belang en werd het verzoek afgewezen zonder inhoudelijke belangenafweging.
De voorzieningenrechter stelde dat de complexiteit van de zaak een voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet toelaat en dat nader onderzoek in de bodemprocedure zal plaatsvinden. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.