ECLI:NL:RVS:2024:884
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 juli 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 9 juli 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 november 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op een rechtsvraag die reeds in eerdere uitspraken door de Afdeling was beantwoord, met betrekking tot de toepassing van het Unierecht op de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.