ECLI:NL:RVS:2023:751
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden, de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De vreemdelingen, een kind en zijn moeder met de Azerbeidzjaanse nationaliteit, hadden eerder asielaanvragen ingediend die waren afgewezen en waren uitgezet naar Azerbeidzjan. Na hun terugkeer in Nederland dienden zij opnieuw een aanvraag in, die werd afgewezen vanwege het aantoonbaar verlaten van de Europese Unie, een contra-indicatie volgens de regeling.
De vreemdelingen voerden onder meer aan dat het Unierecht van toepassing is en dat de staatssecretaris onrechtmatig heeft gehandeld door hen uit te zetten, wat volgens hen tot willekeur leidt. De Afdeling oordeelde dat het Unierecht niet van toepassing is op de Afsluitingsregeling en dat de uitzetting niet onrechtmatig is vastgesteld. De staatssecretaris heeft de contra-indicatie terecht toegepast en er is geen sprake van willekeur, omdat uitzetting afhankelijk is van diverse factoren zoals het land van terugkeer en persoonlijke omstandigheden.
Verder is geoordeeld dat het niet horen van de vreemdelingen in bezwaar gerechtvaardigd was, omdat redelijkerwijs geen andersluidend standpunt kon worden verwacht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.