ECLI:NL:RVS:2024:933
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- A. Kuijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap na langdurig verblijf in geboorteland
Appellante, geboren in Zuid-Afrika als dochter van Nederlandse ouders, verkreeg bij geboorte het Nederlanderschap. Haar vader verloor het Nederlanderschap in 1967 door naturalisatie in Zuid-Afrika. Appellante woonde van 1985 tot 1995 onafgebroken in Zuid-Afrika en vroeg in 2016 voor het eerst een Nederlands paspoort aan. De minister weigerde de aanvraag omdat zij volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) haar Nederlanderschap in 1995 verloor door tien jaar onafgebroken verblijf in haar geboorteland en het land waarvan zij ook de nationaliteit bezat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat uitzonderingen op het verlies van het Nederlanderschap van toepassing zijn en dat de overheid haar onvoldoende heeft geïnformeerd over het verlies en de mogelijkheden tot behoud. De Afdeling oordeelde dat de uitzonderingen die in 2003 zijn ingevoerd geen terugwerkende kracht hebben en niet van toepassing zijn op haar situatie in 1995.
Verder erkende de Afdeling dat de informatieverstrekking in de jaren negentig gebrekkig was, maar benadrukte dat artikel 15 RWN Pro dwingend is en niet kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. De Unierechtelijke evenredigheidstoets, gericht op rechten uit het EU-recht, werd toegepast op het moment van het verlies van het Nederlanderschap. Appellante slaagde er niet in concreet aan te tonen dat zij op dat moment redelijkerwijs voorzienbare Unierechtelijke gevolgen ondervond. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd wegens verlies Nederlanderschap in 1995.