ECLI:NL:RVS:2025:1068
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning wegens mvv-vereiste
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 juli 2021 de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De vreemdeling was per 18 maart 2020 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen, wat volgens de minister een belangrijke aanwijzing was dat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had verplaatst. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht ambtshalve de rechtsgronden had aangevuld, maar dat het oordeel dat de minister onzorgvuldig had gemotiveerd dat er geen onbillijkheid van overwegende aard was, niet juist was. Ook was de rechtbank ten onrechte van mening dat de minister de vreemdeling had moeten horen in bezwaar.
De Afdeling bevestigde dat de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen een belangrijk bewijsvermoeden vormt dat het hoofdverblijf buiten Nederland is verplaatst en dat de vreemdeling dit vermoeden onvoldoende had weerlegd met de overgelegde stukken. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.