ECLI:NL:RVS:2025:1146

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
19 maart 2025
Zaaknummer
202500258/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.61 Whw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen beoordeling scriptie masteropleiding Universiteit Twente

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van zijn scriptie voor de masteropleiding GEO-information Science and Earth Observation aan de Universiteit Twente, waarbij hij een 6.5 kreeg toegekend. Na een verzoek tot herziening en een administratief beroep bij het college van beroep voor de examens, dat ongegrond werd verklaard, stelde appellant beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het college slechts een beperkte toetsingsmaatstaf heeft bij beoordelingen die een deskundig oordeel over de kennis en kunde van een student betreffen. Het college toetst terughoudend of de beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is onderbouwd. De examencommissie had de beoordeling uitvoerig toegelicht en op verzoek van appellant herbeoordeeld, waarbij consensus bleef bestaan.

Het beroep faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat de beoordeling onredelijk was of dat de procedurele voorschriften niet waren nageleefd. Ook het argument dat het college onvoldoende was ingegaan op de inhoudelijke beoordeling werd verworpen, aangezien dit buiten de reikwijdte van het administratief beroep valt. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de scriptiebeoordeling is ongegrond verklaard en het cijfer 6.5 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202500258/1/A2.
Datum uitspraak: 19 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Twente (hierna: het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 26 augustus 2024 hebben de examinatoren van de masteropleiding GEO-information Science and Earth Observation van de International Institute for Geo-information Science and Earth Observation (ITC) van de Universiteit van Twente de scriptie van [appellant] beoordeeld met een 6.5.
Bij beslissing van 17 december 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L. Broos en P. de Vries, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij e-mail van 2 september 2024 heeft [appellant] de examinatoren verzocht om het voor zijn scriptie toegekende cijfer te herzien, omdat die beoordeling naar zijn mening niet overeenkomt met de kwaliteit van zijn onderzoek. Een van de examinatoren heeft diezelfde dag bij e-mail medegedeeld dat en toegelicht waarom de examencommissie daarvoor geen aanleiding ziet. Bij brief van 9 september 2024 heeft [appellant] de examinatoren opnieuw verzocht om de beoordeling van zijn scriptie te herzien.
2.       Het college heeft in de beslissing van 17 december 2024, met verwijzing naar artikel 7.61 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: Whw), uitgelegd dat het in deze situatie een beperkte toetsingsmaatstaf heeft, omdat de aard van het geschil een deskundig oordeel over het kunnen en kennen van een student betreft en het college niet kan treden in de inhoudelijke beoordeling van de scriptie. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedures correct zijn gevolgd. Het college ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de beslissing van de examinatoren. Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, kan volgens het college niet worden geconcludeerd dat sprake is van een onredelijke beoordeling.
Het beroep en de beoordeling daarvan
3.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet is ingegaan op zijn gronden over de inhoudelijke (her)beoordeling van zijn scriptie en dat hij daarom geen eerlijk proces heeft gehad. Hij stelt dat het cijfer 6.5 niet representatief is voor de kwaliteit van zijn scriptie. Verder heeft het college niet onderkend dat het beoordelingsproces niet goed is gegaan. Zo zijn de kritiekpunten van de examinatoren, in het bijzonder over de omvang en reproduceerbaarheid van zijn scriptie en de door hem gebruikte wetenschappelijke methoden, onvoldoende onderbouwd. Tot slot had het college bij de beoordeling moeten betrekken dat een 6.5 een negatieve impact heeft op zijn academische loopbaan.
4.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1296, onder 4.2, geldt voor administratief beroep dat het college op grond van artikel 7.61, tweede lid, van de Whw dient te toetsen of de beslissing waartegen administratief beroep is ingesteld, in strijd is met het recht. Op grond van vaste rechtspraak van het College van het Beroep voor het Hoger Onderwijs, de rechtsvoorganger van de Afdeling in studentenzaken, dient het college te onderzoeken of een beslissing in overeenstemming met de geldende regels tot stand is gekomen of anderszins in strijd met het recht is genomen. In dat kader moet het college onderzoeken of de examinatoren redelijkerwijs tot hun beoordeling hebben kunnen komen. Het college moet daarbij terughoudend toetsen. Het toetst of de beoordeling voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en genoegzaam is onderbouwd.
4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college terecht de beslissing van 26 augustus 2024 in stand gelaten. Het college heeft terecht betrokken dat de examinatoren bij de beoordeling hebben voldaan aan alle daarvoor gestelde voorschriften van procedurele aard. Zo hebben de examinatoren aan de hand van het beoordelingsformulier bij ieder onderdeel uitgebreid toegelicht en inzichtelijk gemaakt waarom zij tot de beoordeling voor het desbetreffende onderdeel zijn gekomen. Daarnaast hebben de examinatoren, op verzoek van [appellant], naar aanleiding van wat hij heeft aangevoerd, de beoordeling nog een keer gecontroleerd en was er bij de examinatoren opnieuw consensus over het cijfer. [appellant] heeft verder niet betwist dat de voorgeschreven, reguliere procedures om tot de beoordeling te komen naar behoren zijn gevolgd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedurele voorschriften zijn nageleefd, dat de vereiste zorgvuldigheid is betracht en dat de beoordeling voldoende is onderbouwd. Het college heeft aldus tot de conclusie kunnen komen dat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een onredelijke beoordeling. Het standpunt van [appellant] dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de inhoudelijke (her)beoordeling van zijn scriptie, valt gelet op artikel 7.61, tweede lid, van de Whw buiten de reikwijdte van de toetsing in administratief beroep. Daarbij kan geen rekening worden gehouden met eventuele gevolgen voor de academische loopbaan van [appellant].
5.       Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025
154-1129