ECLI:NL:RVS:2025:1165
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.F. de Groot
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete voor verhuur zonder huisvestingsvergunning in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan appellant een boete van €10.000 op wegens het in gebruik geven van een woning aan een huurder zonder huisvestingsvergunning. Appellant verhuurde sinds februari 2021 een woning in Den Haag, waarbij bij controle in juni 2021 bleek dat de huurder niet over een vergunning beschikte. Na aanvraag werd de vergunning in december 2021 alsnog verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de boete terecht had opgelegd en gemotiveerd. Het college matigde later de boete met 50% naar €5.000 vanwege de beperkte ernst van de overtreding. Appellant stelde dat hij zich niet bewust was van de vergunningplicht en dat de situatie door de latere vergunningverlening gelegaliseerd was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep gegrond is omdat het college met de matiging deels tegemoet was gekomen aan appellant. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een verdere verlaging van de boete rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze de hoogte van de boete betrof. Het beroep tegen het matigingsbesluit werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De boete is gematigd van €10.000 naar €5.000 en het hoger beroep is gegrond verklaard.