ECLI:NL:RVS:2025:1203
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep verblijfsvergunning asiel
De minister heeft op 17 oktober 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 21 maart 2025 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat de vreemdeling niet wordt uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 907,00, welke geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Raad van State over voorlopige voorzieningen in soortgelijke zaken. De uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer.
Uitkomst: De vreemdeling wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.