ECLI:NL:RVS:2025:134

Raad van State

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
202500283/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij uitvoering vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de maatregel niet langer in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) uit te voeren, vanwege strijd met artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn.

De minister stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis uit te stellen. Hij stelde dat het verplaatsen van alle vreemdelingen uit het JCS naar andere accommodaties niet mogelijk is vanwege capaciteitsgebrek, wat zou leiden tot onomkeerbare gevolgen voor de grensbewaking.

De voorzieningenrechter van de Raad van State gaf de minister gelijk en verleende de voorlopige voorziening, zodat de maatregel niet verplaatst hoeft te worden totdat het hoger beroep is beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de vrijheidsontnemende maatregel niet te verplaatsen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202500283/2/V3.
Datum uitspraak: 15 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2025 in zaak nr. NL24.51994 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 26 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van de minister, maar heeft geen reactie ontvangen.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft de minister opgedragen om de vrijheidsontnemende maatregel per direct op een andere plaats dan het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) ten uitvoer te leggen. Volgens de rechtbank leidt de recente wijziging van onderdelen van het algemene vreemdelingenbewaringsregime in het JCS tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd in een gespecialiseerde accommodatie voor vreemdelingenbewaring en is de vrijheidsontneming daarom in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
Het verzoek van de minister
2.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Daarbij beroept hij zich op het grensbewakingsbelang. De minister betoogt dat de rechtbankuitspraak een dusdanig algemene strekking heeft, dat afwijzing van zijn verzoek met zich brengt dat hij genoodzaakt zal zijn om per direct alle vreemdelingen die krachtens de Vw 2000 in het JCS verblijven, naar een andere bewaringsaccommodatie te brengen. Hij betoogt dat daarvoor onvoldoende capaciteit beschikbaar is in de andere accommodaties en dat dit daarom betekent dat aan hen de toegang tot het Schengengebied zal moeten worden verleend. Dit leidt volgens de minister tot onomkeerbare gevolgen.
Beoordeling
3.       Onder de gegeven omstandigheden komt doorslaggevend gewicht toe aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in een andere bewaringsaccommodatie ten uitvoer gelegd hoeft te worden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Lange
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025
347-1020