AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening in zaak vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 29 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van deze maatregel per 15 januari 2025, met toekenning van schadevergoeding.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat de uitspraak van de rechtbank niet direct uitgevoerd hoeft te worden. De minister voerde aan dat het belang van grensbewaking zwaarder weegt en dat het direct opheffen van de maatregel zou leiden tot onomkeerbare gevolgen voor de toegang tot het Schengengebied.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat ondanks de ingrijpende gevolgen voor de vreemdeling, het grensbewakingsbelang zwaarder weegt onder de gegeven omstandigheden. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de vrijheidsontnemende maatregel blijft gelden totdat het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel blijft van kracht totdat het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
202500282/2/V3.
Datum uitspraak: 15 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL25.696 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij mondelinge uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
1. Uit het hogerberoepschrift van de minister maakt de voorzieningenrechter van de Afdeling op dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel van begin af aan onrechtmatig is geweest door de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS), zowel wat betreft de inrichting van het gebouw als het regime en de daarbij toegepaste dwang. Daarom heeft de rechtbank de minister bevolen de maatregel op te heffen. Van de mondelinge uitspraak van de rechtbank is nog geen proces-verbaal opgesteld, maar in de schriftelijke uiteenzetting heeft de vreemdeling niet weersproken dat de minister het oordeel van de rechtbank correct heeft weergegeven. Daarom wordt hiervan uitgegaan.
Het verzoek van de minister
2. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Daarbij beroept hij zich op het grensbewakingsbelang. De minister betoogt dat de rechtbankuitspraken een dusdanig algemene strekking hebben, dat afwijzing van zijn verzoeken met zich brengt dat hij genoodzaakt zal zijn om per direct alle vreemdelingen die krachtens de Vw 2000 in het JCS verblijven, in vrijheid te stellen. Omdat hen daarmee de toegang tot het Schengengebied zal moeten worden verleend, leidt dat volgens de minister tot onomkeerbare gevolgen.
Beoordeling
3. Hoewel de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel voor de vreemdeling ingrijpend is, komt onder de gegeven omstandigheden een zwaarder gewicht toe aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.