Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:1365

Raad van State

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
202501633/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83, derde lid Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 27 maart 2023 werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod werd uitgevaardigd. De minister wijzigde en vulde dit besluit op 9 december 2024 aan, maar trok het terugkeerbesluit en inreisverbod op 17 januari 2025 weer in. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit voor zover gewijzigd niet-ontvankelijk en het beroep tegen het oorspronkelijke besluit voor zover niet gewijzigd en het intrekkingsbesluit ongegrond.

De vreemdeling stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter overwoog dat de minister had erkend dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Jemen en dat daarom geen uitzetting zal plaatsvinden.

Gezien deze omstandigheden en de verdere aangevoerde gronden zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd dan ook afgewezen en de minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen.

Uitspraak

202501633/2/V2.
Datum uitspraak: 28 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL23.9964 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 9 december 2024 heeft de minister het besluit van 27 maart 2023 gewijzigd en aangevuld.
Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister het in het besluit van 27 maart 2023 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven en het besluit van 9 december 2024 ingetrokken.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 maart 2023, voor zover dit door het besluit van 17 januari 2025 is gewijzigd, en tegen het besluit van 9 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 maart 2023, voor zover dit niet is gewijzigd door het besluit van 17 januari 2025, en tegen het besluit van 17 januari 2025 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       De minister heeft in het besluit van 17 januari 2025 meegedeeld dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij onder de huidige omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en dat hij om die reden ook niet zal worden uitgezet naar Jemen. Daarin en in wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025
984