Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:1409

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
2 april 2025
Zaaknummer
202500160/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1a Vb 2000Art. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatigheid grensdetentie vreemdeling wegens onvoldoende motivering minister

De minister van Asiel en Migratie legde op 25 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling bij aankomst op Schiphol. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval de opheffing ervan per 3 januari 2025. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de motivering van de minister waarom niet was volstaan met een lichter middel dan grensdetentie, ondanks dat de echtgenote en minderjarige kinderen van de vreemdeling ook asiel hadden aangevraagd in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met deze relevante individuele omstandigheden en daardoor de belangenafweging niet deugdelijk had gemotiveerd.

De Raad van State bevestigde dit oordeel, overwegende dat het gezinsleven van de vreemdeling met zijn vrouw en kinderen beschermd is onder artikel 8 EVRM Pro en dat de detentie dit gezinsleven belemmert. De minister had dit moeten meewegen in zijn besluitvorming. Ook het argument van de minister dat de vreemdeling zelf geen bezwaar had gemaakt tegen grensdetentie werd verworpen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de onrechtmatigheid van de grensdetentie en wijst het hoger beroep van de minister af.

Uitspraak

202500160/1/V3.
Datum uitspraak: 2 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 januari 2025 in zaak nr. NL24.51782 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 3 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Neijzen, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Grief 2
1.       In grief 2 komt de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met de toepassing van een lichter middel dan grensdetentie. De vreemdeling heeft op 25 december 2024 bij aankomst op Schiphol verklaard dat hij asiel heeft aangevraagd, omdat zijn echtgenote en minderjarige kinderen ongeveer acht dagen daarvoor ook asiel hebben aangevraagd in Nederland. Later op dezelfde dag heeft de vreemdeling op de vraag van de minister of er omstandigheden zijn die grensdetentie in zijn geval niet mogelijk maken, geantwoord dat hij geen problemen heeft met de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Gelet op deze laatste verklaring, heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat hij voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met de toepassing van een lichter middel, door in de maatregel op te nemen dat de vreemdeling geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die grensdetentie onevenredig bezwarend maken.
Beoordeling van grief 2
2.       Uit artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 volgt dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en dat deze niet wordt opgelegd of voortgezet wanneer sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Hoewel het indienen van een asielaanvraag aan de grens er in de meeste gevallen, gelet op het grensbewakingsbelang, toe leidt dat het besluit over de toegang wordt uitgesteld en de grensprocedure wordt toegepast, is daarmee nog geen rechtvaardiging voor vrijheidsontneming gegeven. De minister moet altijd een belangenafweging verrichten, waarbij hij alle relevante individuele feiten en omstandigheden moet betrekken. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:789, onder 4.1.
2.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw en kinderen van de vreemdeling ook in Nederland verblijven en asiel hebben aangevraagd, relevant is voor de vraag of de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Noch uit artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000, noch uit rechtspraak van de Afdeling, volgt dat de minister bij de belangenafweging alleen omstandigheden hoeft te betrekken die de vreemdeling noemt bij de beantwoording van de concrete vraag of er omstandigheden zijn die volgens hem maken dat grensdetentie in zijn geval niet mogelijk is. De minister moet bij de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden betrekken waarmee hij bekend is. Anders dan de minister betoogt, betekent het gegeven dat uit het proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel van 25 december 2024 niet blijkt dat de vreemdeling in verband met de oplegging van de maatregel melding heeft gemaakt van een gezin in Nederland, daarom niet dat de minister deze omstandigheid niet hoefde te betrekken bij de motivering dat er geen aanleiding bestond een lichter middel toe te passen.
2.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:224, betoogt de minister verder dat hij niet nader hoefde te motiveren waarom de omstandigheid dat de vrouw en kinderen van de vreemdeling in Nederland verblijven en asiel hebben aangevraagd, zou moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel, omdat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de grensdetentie hem belemmert in het contact met zijn gezin. De Afdeling volgt ook dit betoog niet. De door de minister aangehaalde uitspraak gaat over de verklaring van de vreemdeling dat zijn kinderen en ex-vrouw in Frankrijk wonen, dat hij via WhatsApp contact heeft met zijn kinderen en dat hij maandelijks bij hen langsgaat. Die situatie verschilt wezenlijk van de situatie van de vreemdeling in deze zaak. Niet in geschil is dat tussen de vreemdeling en zijn echtgenote en kinderen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat en dat hij dit gezinsleven door de detentie niet kan uitoefenen.
2.3.    De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat de maatregel lijdt aan een motiveringsgebrek, omdat de minister daarin heeft nagelaten te motiveren waarom het grensbewakingsbelang prevaleert, ondanks de omstandigheid dat de vrouw en kinderen van de vreemdeling in Nederland verblijven en asiel hebben aangevraagd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie daarom van meet af aan onrechtmatig was.
2.4.    De grief faalt.
Grief 1
3.       Hoewel de minister in grief 1 terecht opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie ook onrechtmatig is vanwege de omstandigheden waaronder de vreemdeling is gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol (uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789), leidt deze grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft immers terecht geoordeeld dat de grensdetentie onrechtmatig is wegens het motiveringsgebrek in de vrijheidsontnemende maatregel.
Conclusie
4.       Omdat de grensdetentie vanaf de eerste dag onrechtmatig was, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025
846-1020