Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2020:224

Raad van State

Datum uitspraak
23 januari 2020
Publicatiedatum
23 januari 2020
Zaaknummer
201906891/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbECLI:EU:C:2014:1320 (Mahdi-arrest)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering

Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 5 september 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de motivering van de staatssecretaris onvoldoende was, met name omdat de aanwezigheid van familie in Frankrijk niet voldoende is toegelicht door de vreemdeling.

De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de staatssecretaris gegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

201906891/1/V3.
Datum uitspraak: 23 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op het uit arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, voortvloeiende motiveringsvereiste, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet met toepassing van een lichter middel kon volstaan. Daarover betoogt de staatssecretaris dat de vreemdeling zelf ook niet heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn familie in Frankrijk een omstandigheid is waardoor van bewaring in Nederland zou moeten worden afgezien.
2.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris niet kenbaar in de maatregel heeft betrokken dat de vreemdeling familie heeft in Frankrijk en daarom de motivering in de maatregel van bewaring niet voldoet aan de vereisten die het Hof daaraan in het arrest Mahdi heeft gesteld. De vreemdeling heeft tijdens het gehoor van 23 augustus 2019 namelijk alleen verklaard dat zijn kinderen en ex-vrouw in Frankrijk wonen, dat hij via WhatsApp contact heeft met zijn kinderen en dat hij maandelijks bij hen langsgaat. Hij heeft niet aangegeven op welke wijze de inbewaringstelling hem zal belemmeren in het contact met hen.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2019 in zaak nr. NL19.20000;
III.    verklaart het beroep ongegrond;
IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020
47-888.