ECLI:NL:RVS:2025:1486
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenveroordeling bij niet tijdig besluit mvv-aanvraag
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een beslistermijn van vier weken met een dwangsom bij overschrijding. Tevens veroordeelde zij de minister van Asiel en Migratie tot betaling van proceskosten van € 209,25.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank onjuist een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had toegepast in plaats van 0,5 (licht). De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis over de proceskosten en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 1.360,00, bestaande uit € 453,50 voor het beroep en € 907,00 voor het hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling was gericht, waardoor voor het hoger beroep een wegingsfactor van 1 werd toegepast. De minister moet de volledige proceskosten vergoeden die door een derde beroepsmatig zijn verleend. De uitspraak van de rechtbank werd verder in stand gelaten omdat de minister inmiddels een besluit op de aanvraag had genomen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 1.360,00 aan appellant.