ECLI:NL:RVS:2025:1505
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige arbeid
Betrokkene, een Turkse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan met als beperking zelfstandige arbeid als medevennoot bij een stukadoorsbedrijf. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en onvoldoende onderbouwing in het ondernemingsplan, met name een gebrek aan een gedegen markt- en concurrentieanalyse.
De rechtbank had het besluit van de minister vernietigd omdat zij oordeelde dat de minister ten onrechte had geoordeeld over het ondernemingsplan en de hoorplicht had geschonden. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een eigen invulling had gegeven aan de wijze waarop de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) tot haar advies komt en bevestigde dat een op de onderneming toegespitste markt- en concurrentieanalyse vereist is. Tevens was de motivering van de minister over het ontbreken van een gedegen verkoopplan voldoende en was er geen schending van de hoorplicht.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. Vervolgens werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat betrokkene reeds een verblijfsvergunning had verkregen op grond van het driejarenbeleid. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege toepassing van het driejarenbeleid.