ECLI:NL:RVS:2025:1560
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep en voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 27 juni 2024 de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 februari 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen.
Het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die van belang waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.