ECLI:NL:RVS:2025:1577
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering kindgebonden budget wegens te hoog vermogen
Appellante ontving in 2021 een voorschot kindgebonden budget gebaseerd op haar geschatte jaarinkomen. Later bleek uit de Basisregistratie Inkomen dat haar toetsingsinkomen en rendementsgrondslag hoger waren, waardoor haar vermogen te hoog was om voor het kindgebonden budget in aanmerking te komen. De Dienst Toeslagen herzag het budget en vorderde het ontvangen bedrag inclusief rente terug.
Appellante voerde aan dat zij gerechtvaardigd vertrouwen had op het budget omdat eerdere besluiten geen vermogensgrens vermeldden en dat het onredelijk was dat haar vermogen leidde tot verlies van het recht. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat de wet duidelijk stelt dat het kindgebonden budget afhankelijk is van inkomen en vermogen, en dat voorschotten geen gerechtvaardigd vertrouwen scheppen.
Verder stelde appellante dat het onredelijk was dat zij rente moest betalen over het terug te vorderen bedrag, omdat zij nauwelijks rente ontving over haar spaargeld. De Afdeling wees dit af omdat de wettelijke rente verplicht is volgens de Awir.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De Dienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van het kindgebonden budget wordt bevestigd.