ECLI:NL:RVS:2025:1605
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over proceskostenvergoeding in hoger beroep machtiging voorlopig verblijf
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde een beslistermijn op aan de staatssecretaris, met een dwangsom bij overschrijding. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten ad € 209,25.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarbij zij betoogde dat de rechtbank onjuist een wegingsfactor van 0,25 toepaste en ten onrechte geen vergoeding toekende voor haar verschijnen ter zitting. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze grieven gegrond zijn en vernietigde het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding.
De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van € 907,00 voor het beroep en € 907,00 voor het hoger beroep, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast voor het beroep en 1 voor het hoger beroep. De minister moet aldus een totaalbedrag van € 1.814,00 aan proceskosten vergoeden, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 1.814,00 aan appellant.