ECLI:NL:RVS:2025:1876
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij verblijfsvergunning asiel
Appellant had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het ging over de ingangsdatum van de vergunning, waarbij de vergunning werd vastgesteld op 18 juli 2022. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In het hoger beroep klaagde appellant terecht over een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting in het vonnis van de rechtbank, maar dit leidde niet tot vernietiging omdat appellant binnen de juiste termijn hoger beroep had ingesteld. Daarnaast stelde appellant dat de rechtbank een te lage proceskostenvergoeding had toegekend omdat zij ook een schriftelijke reactie had ingediend op verzoek van de rechtbank, waarvoor een extra vergoeding had moeten worden toegekend.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad een te lage vergoeding had toegekend en vernietigde het vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De grief over de ingangsdatum van de vergunning werd niet gegrond verklaard; de rechtbank had kennelijk een verschrijving gemaakt in het dictum.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 3.174,50.