ECLI:NL:RVS:2025:19
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep minister tegen uitspraak rechtbank over grensdetentie vreemdeling
De vreemdeling, met de Venezolaanse nationaliteit, arriveerde op 19 oktober 2024 op Schiphol en vroeg asiel aan. De minister legde haar een vrijheidsontnemende maatregel op, de zogenaamde grensdetentie. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet mogelijk was, mede omdat de vreemdeling een minderjarige zoon in Nederland heeft. Hierdoor werd de maatregel onrechtmatig verklaard en werd schadevergoeding toegekend.
De minister stelde hoger beroep in en betoogde dat de vreemdeling tijdens het gehoor had verklaard geen bezwaar te hebben tegen de grensdetentie en dat zij niet had aangegeven dat haar zoon een reden was om een lichter middel toe te passen. De Raad van State oordeelde dat de minister niet verplicht is om in weerwil van de verklaring van de vreemdeling nader onderzoek te doen naar een lichter middel. De aanwezigheid van de zoon is niet zonder meer een reden om af te zien van grensdetentie.
Verder faalde het beroep van de vreemdeling dat de grensdetentie eerder had moeten worden opgeheven, omdat de minister binnen enkele dagen na ontvangst van nadere informatie de maatregel had beëindigd. De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het beroep van de vreemdeling ongegrond, inclusief het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.