Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een verzoek om schadevergoeding van een Senegalese asielzoeker die zijn aanvraag op 18 november 2024 indiende en werd afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege zijn herkomst uit een veilig land. De rechtbank had eerder het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit vernietigd omdat de aanwijzing van Senegal als veilig land niet berustte op een draagkrachtige motivering.
Verzoeker stelde dat de onrechtmatige afwijzing ook de grondslag voor de grensprocedure en de bewaringsmaatregel onrechtmatig maakte, waardoor hij schade had geleden. De minister betwistte dit en stelde dat schadevergoeding alleen in een procedure tegen de bewaringsmaatregel mogelijk was. De rechtbank oordeelde echter dat de schadeoorzaak het besluit tot voortzetting van de grensprocedure was en dat de bestuursrechter bevoegd was hierover te oordelen.
De rechtbank wees het verzoek toe voor de periode vanaf twee dagen na het gehoor tot en met 7 januari 2025, omdat vanaf het gehoor duidelijk had moeten zijn dat de aanvraag niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen. Voor de periode daarna was reeds schadevergoeding aangeboden. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van €6.300,- aan verzoeker en tot vergoeding van proceskosten van €453,50.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering van veilige landen en de mogelijkheid voor vreemdelingen om schadevergoeding te krijgen voor onrechtmatige besluiten in asielprocedures, in lijn met het EVRM.