ECLI:NL:RVS:2025:1904
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens ondeugdelijke motivering
Appellant, houder van de Iraanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van vermeende betrokkenheid bij een bijzonder ernstig misdrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de minister de intrekking van de verblijfsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister baseerde zich op het beleid dat vereist dat een bijzonder ernstig misdrijf een onherroepelijke gevangenisstraf van ten minste tien maanden betreft, maar dit beleid is niet in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023 (M.A.). Bovendien heeft de minister de straffen voor verschillende misdrijven opgeteld zonder te motiveren waarom één daarvan als bijzonder ernstig moet worden aangemerkt.
Daarom is het hoger beroep gegrond, wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 10 september 2020 ingetrokken. De minister dient in een nieuw besluit de beoordeling te herhalen met inachtneming van het arrest M.A. De Afdeling ziet geen aanleiding tot aanhouding van de zaak in afwachting van andere uitspraken over terugkeerbesluiten en refoulementrisico. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.