ECLI:NL:RVS:2025:2062

Raad van State

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
202300186/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.M. Kaajan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor appartementencomplex ondanks bouwhoogte en privacybezwaar

Het college van burgemeester en wethouders van Westland verleende een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex met 25 woningen naast Kerklaan 63 in Wateringen. De vergunning betrof een afwijking van de bestemmingen "Bedrijf" en "Tuin" naar "Wonen" met een bouwhoogte van circa 15,5 meter.

De rechtbank vernietigde het eerste besluit wegens onvoldoende motivering over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bouwhoogte en de gevolgen voor privacy en stedenbouwkundige inpassing. Het college nam een nieuw besluit met een (deels) gewijzigde motivering, waarop hoger beroep werd ingesteld door M III en incidenteel door omwonenden.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college de gevolgen voor het woon- en leefklimaat, privacy en stedenbouwkundige inpassing voldoende heeft meegewogen en gemotiveerd. De overschrijding van de bouwhoogte is beperkt en past binnen het stedelijke gebied, waarbij rekening is gehouden met bestaande bebouwing en het beeldkwaliteitsplan. De bezwaren van de omwonenden worden verworpen en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de omwonenden tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college bevestigd.

Uitspraak

202300186/1/R3.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. M III Associates B.V. en [appellante sub 1] (hierna samen en in enkelvoud: M III), gevestigd in Rijswijk (ZH),
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Wateringen, gemeente Westland,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2022 in zaak nr. 22/3365 in het geding tussen onder meer:
[appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college aan M III een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen naast het perceel Kerklaan 63 in Wateringen (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft M III hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
M III heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 8 juli 2024 heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist en wederom een omgevingsvergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen op het perceel.
[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 4 december 2024.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak tegelijk met zaak nrs. 202300185/1/R3 en 202404842/1/R3 ter zitting behandeld op 5 december 2024, waar M III, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink, advocaat in Amsterdam en [appellanten], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. Vlug en mr. L. Hoeben, beiden advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Aboud, G. Slagmolen, A. Klein en mr. R. Brouwer, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend op 30 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       M III wil de voormalige bedrijfsbebouwing en woning op het perceel slopen en daar een appartementencomplex voor 25 woningen bouwen met een hoogte van ongeveer 15,5 m. M III heeft op 30 december 2019 een aanvraag ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen op het perceel. Bij het besluit van 13 april 2022 heeft het college aan M III deze omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo, verleend. Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan Kern Wateringen. De beoogde ontwikkeling is voorzien op gronden met de bestemmingen "Bedrijf", "Tuin" en "Wonen" en met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie-2" en "Waarde - Karakteristiek". In het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning is overwogen dat de beoogde ontwikkeling in strijd is met de gebruiksregels die gelden voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" en "Tuin" en dat de ontwikkeling past binnen de gebruiksregels van de bestemming "Wonen".
3.       [appellant sub 2] woont aan de [locatie], in de nabijheid van het perceel, en heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank heeft dit beroep in de uitspraak van 17 november 2022 gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtname van de uitspraak. De rechtbank heeft daarbij geconcludeerd dat het college alsnog toereikend dient te motiveren dat het appartementencomplex ook met inachtneming van de afwijking qua bouwhoogte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en stedenbouwkundig past in het straatbeeld. Ook zal het college nader moeten motiveren dat het appartementencomplex wat privacy betreft geen onevenredige gevolgen heeft voor [appellant sub 2]. De rechtbank heeft verder overwogen dat de beroepsgronden van [appellant sub 2] over de gevolgen van het appartementencomplex voor wat betreft bezonning en lichtinval en het parkeren en het verkeer niet slagen.
4.       M III heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [appellant sub 2] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.
De hoger beroepen
Bouwhoogte
5.       M III betoogt ten eerste dat de rechtbank ten onrechte heeft geconstateerd dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de geconstateerde overschrijding van de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte. M III verwijst daarbij naar de Nota van beantwoording zienswijzen (hierna: Zienswijzenota) waarin de hoogte van het appartementencomplex is opgenomen en waarin ook de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp is toegelicht. Daarmee is de afwijking afdoende gemotiveerd.
5.1.    De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd of het appartementencomplex, vanwege de beoogde hoogte van dit complex, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit zelf bevat geen enkele afweging op dit punt. Hierin wordt, maar dan enkel voor zover het appartementencomplex wordt gerealiseerd op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en "Tuin", juist expliciet opgemerkt dat niet wordt toegekomen aan een toets van de bouwregels in het bestemmingsplan. Hoewel voor zover het beoogde appartementencomplex wordt gerealiseerd op gronden met de bestemming "Wonen" in het besluit wordt aangegeven dat niet wordt voldaan aan de bouwregels, bevat het besluit ook op dit punt geen nadere motivering over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze afwijking van de betreffende planregels. Ook blijkt niet hoe groot de overschrijding van de bouwhoogte is ten opzichte van de reeds toegestane bouwhoogte binnen de bestemming "Wonen". Uit de ruimtelijke onderbouwing en de Zienswijzenota waarnaar M III heeft verwezen volgt weliswaar welke bouwhoogte met de beoogde ontwikkeling is voorzien, maar ook hier wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe groot de overschrijding is ten opzichte van de reeds toegestane bouwhoogte en ook niet in hoeverre deze bouwhoogte ruimtelijk aanvaardbaar is. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dan ook evenmin op welke wijze de ruimtelijke gevolgen van de bouwhoogte in de ruimtelijke afweging zijn betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Stedenbouwkundige beoordeling
6.       M III voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, omdat het college de toegestane bouwhoogte niet heeft betrokken bij de ruimtelijke afweging, ook de stedenbouwkundige beoordeling niet voldoet. M III wijst erop dat de stedenbouwkundige inpassing in de Zienswijzenota is toegelicht en dat bij de vormgeving en de situering van het bouwplan rekening is gehouden met de omgeving.
6.1.    De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college alsnog dient te motiveren dat het bouwplan stedenbouwkundig past in het straatbeeld. Daarvoor is het volgende van belang. Uit de Zienswijzenota blijkt wat de maximale hoogte van het appartementencomplex is en dat het complex uitgevoerd wordt met terug-liggende verdiepingen. Verder is beschreven dat het complex door de beoogde vormgeving zowel aan de straat- als aan de achterzijde minder massa heeft. Aan de zij- en achterkant is 3 m afstand aangehouden tussen het bouwplan en de naburige bebouwing. Ook ligt de rooilijn van het appartementencomplex in lijn met naastgelegen bebouwing. Ten slotte wordt in de Zienswijzenota toegelicht dat zowel het ontwerp als de buitenruimten van het ontwerp aansluiten bij de reeds bestaande bebouwing, waaronder het appartementencomplex ‘De Wingerd’ aan de overzijde van de straat. In zoverre kan M III wordt gevolgd in haar betoog dat de stedenbouwkundige gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling inzichtelijk zijn gemaakt.
De te realiseren bouwhoogte en de mate waarin deze bouwhoogte afwijkt van de bouwhoogte die op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan en die dus reeds stedenbouwkundig aanvaardbaar is geacht, maken echter naar het oordeel van de Afdeling ook onderdeel uit van de stedenbouwkundige gevolgen van het plan en dus ook van de door het college op dat punt te verrichten afweging. Over de maximale hoogte van het bouwplan van 15,529 m wordt in de Zienswijzenota enkel opgemerkt dat het gebouw hierdoor 0,529 m hoger wordt dan is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat deze hoogte hoger is dan de omliggende woningen. Hiervoor is al overwogen gebleken dat het college de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. Daarnaast blijkt uit de Zienswijzenota onvoldoende dat, bij de stedenbouwkundige inpassing, rekening is gehouden met het feit dat, voor zover de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd op gronden met de bestemming "Wonen", het gebouw 5,529 m hoger wordt dan is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
Het betoog van M III slaagt niet.
Privacy
7.       M III voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met betrekking tot de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] een nieuwe afweging moet maken waarmee inzichtelijk dient te worden gemaakt dat ook bij een overschrijding van de maximale bouwhoogte van 5,5 respectievelijk 0,5 m de privacy van [appellant sub 2] niet onevenredig wordt geschaad. Volgens M III is de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte in combinatie met de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] toereikend gemotiveerd. M III verwijst daarbij naar de Zienswijzenota, waaruit volgt dat niet kan worden uitgesloten dat het bouwplan tot enige afname van privacy zal leiden maar dat dit aspect niet als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het college betrokken dat de woningen in een bebouwde omgeving staan, waarbij een woonsituatie die geheel vrij is van enige privacy beperking niet kan worden gegarandeerd, en dat de negatieve gevolgen van het bouwplan ook zouden kunnen worden veroorzaakt door de (fictieve) realisering van een gebonden bouwplan ter plaatse dat in overeenstemming zou zijn met de regels in het geldende bestemmingsplan.
7.1.    De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke gevolgen het bouwplan heeft voor de privacy van [appellant sub 2] omdat het college de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. In de Zienswijzenota is in algemene zin ingegaan op de gevolgen van het bouwplan voor de privacy van [appellant sub 2] en zijn deze gevolgen afgezet tegen de negatieve gevolgen voor de privacy die ook zouden kunnen worden veroorzaakt bij het benutten van de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Hiervoor, in 5.1, is echter al overwogen dat het college de overschrijding van de bouwhoogte ten opzichte van het geldende bestemmingplan niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. Daaruit volgt dat het college bij de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] de overschrijding van deze bouwhoogte dus evenmin voldoende heeft betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Toepassen bestuurlijke lus
8.       M III voert aan dat voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] terecht gegrond heeft geacht, de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), via het doen van een tussenuitspraak de gelegenheid had moeten geven om het geconstateerde gebrek te herstellen.
8.1.    Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1015, is de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen discretionair van aard, zodat de rechtbank, anders dan M III stelt, niet zonder meer gehouden was hiervan gebruik te maken.
Conclusie ten aanzien van de hoger beroepen.
9.       Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van M III ongegrond is. [appellant sub 2] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, onder de voorwaarde dat het hoger beroep van M III slaagt. Deze voorwaarde is niet vervuld, omdat het hoger beroep van M III ongegrond is. Het incidenteel hoger beroep is daarom vervallen. De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke bespreking daarvan.
Het besluit van 8 juli 2024
10.     Met het besluit van 8 juli 2024 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor een appartementencomplex. Het college heeft de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw doorlopen en heeft, na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, op 8 juli 2024 wederom een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verleend op basis van een (deels) gewijzigde en aangevulde motivering.
11.     Het hoger beroep van M III en [appellant sub 2] is, op grond van artikel 6:24 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege gericht tegen het besluit van 8 juli 2024, tenzij dit besluit aan het hoger beroep tegemoet komt. M III heeft de Afdeling bericht te kunnen instemmen met deze omgevingsvergunning. [appellant sub 2] heeft het beroep tegen het besluit voortgezet en heeft zijn gronden tegen dit besluit uiteengezet in de brief van 20 augustus 2024 en in de brief van 9 september 2024. Hierna worden de beroepsgronden van [appellant sub 2] besproken. Daarbij wordt ook de reactie van het college en M III op deze gronden betrokken.
Omvang en situering bebouwing, privacy
12.     [appellant sub 2] voert aan dat het college in het besluit van 8 juli 2024 niet, althans onvoldoende kenbaar, heeft betrokken dat niet alleen de bouwhoogte van het appartementencomplex hoger is dan op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan, maar dat dit ook geldt voor de goothoogte. Ook heeft het college in de ruimtelijke onderbouwing de ruime overschrijding van de goothoogte, de wijziging van een bedrijfs- naar een woonbestemming en de hiermee gepaard gaande gevolgen voor de privacy en voor de bezonning en het feit dat buiten het bestaande bouwvlak gebouwd gaat worden, niet gemotiveerd. Het feit dat het bouwplan wordt uitgevoerd met een terug-liggende derde en vierde verdieping aan de voor- en achterzijde van het gebouw doet verder niets af aan de forse overschrijding van de bouw- en goothoogte, ten aanzien van welk aspect een onderbouwing van het college ontbreekt. Van een geringe afwijking, zoals het college stelt, is naar mening van [appellant sub 2] dan ook geen sprake.
12.1.  Het college stelt dat de invloed van het bouwplan niet zodanig is dat de komst van het appartementencomplex zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. Daarvoor acht het college van belang dat sprake is van een stedelijk gebied en dat invulling van een bedrijventerrein met woningbouw binnen een stedelijk gebied als een normale ontwikkeling kan worden beschouwd. Het college heeft onderkend dat het bouwplan, mede door het realiseren van een woonfunctie, gevolgen heeft voor de privacy, uitzicht en lichtinval van de woningen die direct zijn gelegen aan de zijkanten en achterzijde van het bouwplan, maar acht deze gevolgen aanvaardbaar in een normale, stedelijke woonsituatie ook omdat er geen sprake is van een ernstige en onaanvaardbare inbreuk op het bestaande woon- en leefklimaat. Op gronden met de bestemming "Bedrijf" is op grond van het huidige bestemmingsplan ook al bebouwing tot een bouwhoogte van 15 m mogelijk. Ook is in de vormgeving van het ontwerp rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Zo is bewust gekozen voor een terug-liggende derde en vierde verdieping, waardoor het gebouw zowel aan de straatzijde als aan de achterzijde, visueel minder massief oogt. Ter bescherming van de privacy zijn beperkingen aan het bouwplan verbonden, waaronder het realiseren en instandhouden van een groene haag aan de zijde van de woningen van de Van Gochstraat. Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat het de impact op de woon- en leefomgeving van [appellant sub 2] als gevolg van het bouwplan aanvaardbaar heeft geacht gelet op het woningtekort.
12.2.  De Afdeling komt tot de conclusie dat het college de gevolgen van het bouwplan voor [appellant sub 2] voldoende heeft meegewogen bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het appartementencomplex. Hierna zal de Afdeling uitleggen waarom zij concludeert dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van het appartementencomplex niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2].
13.     Het college mag bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de gevolgen van een nieuw bouwplan de gevolgen die zich voor kunnen doen bij (fictieve) realisatie van het geldende bestemmingsplan betrekken. Het college heeft dan ook rekening kunnen houden met het gegeven dat op gronden waarvoor op grond van het geldende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" geldt, al bebouwing met een bouwhoogte van 15 m is toegestaan zonder dat het geldende bestemmingsplan voor deze locatie nog afzonderlijk een maximale goothoogte voorschrijft. De woning van [appellant sub 2] is, bezien vanaf de Kerklaan, schuin achter de locatie van het voorgenomen appartementencomplex gelegen, aan de noordoostzijde van deze locatie. De woning van [appellant sub 2] ligt zodoende het dichtst bij dat gedeelte van het perceel waar op grond van het geldende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" geldt en waar op grond van het geldende bestemmingsplan dus al bebouwing tot 15 m is toegestaan. Voor zover de voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd op gronden waar op grond van het geldende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" rust, geldt dat hier ook al bebouwing is toegestaan met een maximale hoogte van 10 meter, voor zover bebouwing binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd, en met een maximale hoogte van vijf meter voor bebouwing buiten het bouwvlak. De gronden met de bestemming "Wonen" liggen echter verder weg van de woning van [appellant sub 2] en zijn, bezien vanuit de woning van [appellant sub 2], gelegen achter de gronden met de bestemming "Bedrijf". Dat betekent dat [appellant sub 2], bij realisatie van het geldende bestemmingsplan, dichtbij de woning al invloed op zijn woon- en leefomgeving kan ondervinden van bebouwing met een hoogte van 15 meter.
Het college heeft verder de gevolgen voor de privacy, uitzicht en lichtinval bij het besluit betrokken en heeft deze gevolgen, mede vanwege het gegeven dat het appartementencomplex wordt gerealiseerd in een reguliere, bestaande stedelijke omgeving, aanvaardbaar geacht. [appellant sub 2] wenst een andere uitkomst van de door het college gemaakte belangenafweging maar dat betekent niet dat de door het college gemaakte afweging onvoldoende gemotiveerd is, laat staan dat geconcludeerd zou moeten worden dat sprake is van zodanige onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] dat de omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend.
Voor zover [appellant sub 2] stelt dat het bouwplan onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning oplevert vanwege verminderde zon- en lichtinval in zijn tuin en woning wijst de Afdeling erop dat de rechtbank in de uitspraak van 17 november 2022 een vergelijkbare beroepsgrond heeft verworpen. [appellant sub 2] heeft tegen deze overwegingen van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. In het besluit van 8 juli 2024 waarbij opnieuw de omgevingsvergunning is verleend zijn, wat de gevolgen voor de bezonning en lichtinval bij de woning van [appellant sub 2] betreft, dezelfde conclusies getrokken. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Het betoog slaagt niet.
Stedenbouwkundige beoordeling
14.     [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het appartementencomplex vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Anders dan het college meent, past een appartementencomplex van deze omvang en situering volgens [appellant sub 2] niet in de omliggende bebouwing die zich kenmerkt als dorpse lintbebouwing bestaande uit, voor het overgrote deel, vrijstaande en geschakelde woningen met hier en daar een winkel of een bedrijf. [appellant sub 2] stelt dat het college, voor wat betreft de stedenbouwkundige inpassing ten onrechte verwijst naar de aanwezigheid van het gebouw ‘De Wingerd’ aan de overzijde van de locatie van het appartementencomplex, aangezien dit gebouw is gebouwd voordat het Beeldkwaliteitsplan karakteristieke gebieden Wateringen van 15 juni 2012 (hierna: het beeldkwaliteitsplan) is opgesteld. Het appartementencomplex en overigens ook De Wingerd is, aldus [appellant sub 2], in strijd met het beeldkwaliteitsplan.
[appellant sub 2] heeft haar beroep verder onderbouwd met een op 19 november 2024 toegestuurde notitie ‘Stedenbouwkundige beoordeling Kerklaan 65-69, Wateringen’ van Buro SRO (hierna: de notitie). Deze notitie bevat argumenten waarom het plan niet passend is in de stedenbouwkundige context van de locatie. Zo wordt in de notitie gesteld dat het plan leidt tot een te forse bouwmassa in de straatwand en een te fors accent in de bestaande bebouwingsstructuur. Ook raakt het kavel te vol, rechtvaardigt de locatie geen hoogteaccent in stedenbouwkundige structuur en leidt het bouwplan ten onrechte tot sloop van een karakteristieke woning. Ten slotte is, aldus de notitie, in de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning niet aangetoond dat het plan stedenbouwkundig passend is.
14.1.  Het college stelt dat de locatie waarop het appartementencomplex wordt gerealiseerd, is gelegen binnen de woonkern van Wateringen en is omringd door voornamelijk woningen en kleinschalige dienstverlening. Het toevoegen van een appartementengebouw op deze locatie past binnen het straatbeeld en is in overeenstemming met de Visie Wateringen 2030 en het beeldkwaliteitsplan.
Uit de Visie Wateringen 2030 volgt een duidelijke wens naar meer betaalbare woningen, woningen voor starters en voor senioren waarbij vooral voor woningen voor senioren geldt dat deze graag bij bestaande of nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd. Als mogelijke woningbouwlocaties zijn onder andere verouderde bedrijvenlocaties dicht bij het centrum aangewezen, zoals het bedrijventerrein aan Kerklaan 65. Verder gaat dorpsinbreiding voor op dorpsuitbreiding. Op de beoogde locatie is sprake van inbreiding.
Uit het beeldkwaliteitsplan volgt dat de Ambachtsweg - Kerklaan is aangewezen als een zogeheten ‘karakteristiek gebied’. Karakteristieke gebieden hebben bijzondere ruimtelijke kwaliteiten waarvan het goed zou zijn als deze bij herbouw, verbouw of herinrichting beschermd worden. Dergelijke gebieden bestaan grotendeels uit karakteristieke elementen maar er kunnen in deze gebieden ook delen zijn die minder kwalitatief zijn en niet alle bebouwing in de strook is even karakteristiek. Voor deze plekken moet het beeldkwaliteitsplan gezien worden als het benoemen van een kans om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het beeldkwaliteitsplan biedt daardoor, aldus het college, de mogelijkheid om plekken die minder karakteristiek zijn en van een mindere kwaliteit te versterken door herbouw of verbouw. De Kerklaan 65-69 is een van zulke plekken. De locatie bestaat nu voornamelijk uit een bedrijventerrein met veel (niet openbare) parkeerplaatsen. Bij een omzetting naar wonen wordt deze locatie qua functie en gebruik stedenbouwkundig gezien een beter onderdeel van het woongebied. Het bouwplan is verder passend in de omgeving, vanwege het - eveneens hogere - appartementencomplex de Wingerd aan de overzijde van de straat. Op de zitting is ten slotte namens het college gemotiveerd gereageerd op de notitie die [appellant sub 2] heeft overgelegd.
14.2.  De Afdeling overweegt dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stedenbouwkundige gevolgen van het voorgenomen appartementencomplex niet dusdanig zijn dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Het college heeft, wat betreft de stedenbouwkundige inpassing, rekening gehouden met de, overwegende, woonfunctie in het gebied, de mogelijkheden op grond van het geldende bestemmingsplan en het huidige, bedrijfsmatige gebruik van het terrein, de mogelijkheden en de randvoorwaarden van het beeldkwaliteitsplan en de aanwezigheid van eveneens hogere bebouwing aan de overzijde van de Kerklaan. De omstandigheid dat [appellant sub 2], daartoe onder meer verwijzende naar de notitie, een andere visie heeft op de stedenbouwkundige gevolgen van het appartementencomplex, betekent niet dat het college niet redelijkerwijs de gevolgen aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daar komt bij dat de woning van [appellant sub 2] aan de achterzijde van het voorgenomen appartementencomplex is gelegen terwijl het betoog, ook in de notitie, dat het complex niet passend zou zijn in de stedenbouwkundige context van deze locatie vooral focust op de voorzijde van dit complex.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
15.     [appellant sub 2] heeft haar overige beroepsgronden summier onderbouwd. De Afdeling ziet daarin geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het college de omgevingsvergunning niet had kunnen verlenen. Die beroepsgronden slagen dus niet.
Conclusie ten aanzien van het beroep
16.     Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
Proceskosten
17.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 8 juli 2024, kenmerk D2024-00031505, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.I. Heijkoop, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heijkoop
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
971