Uitspraak
200802431/1).
Raad van State
Het geschil betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om ontheffing en een reguliere bouwvergunning te verlenen voor de wijziging van een bedrijfsruimte tot kinderopvang. De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit omdat het college niet had aangetoond dat er sprake was van een dringende noodzaak, zoals vereist in de beleidsregels.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het college niet handelde conform de beleidsregels en dat de dringende noodzaak voldoende was onderbouwd. Dit werd verworpen omdat de ruimtelijke onderbouwing en aanvraag niet zonder meer een dringende noodzaak aannemelijk maakten. Tevens werd betoogd dat de rechtbank het college niet de kans gaf om gebreken te herstellen, maar dit werd afgewezen omdat de toepassing van de bestuurlijke lus discretionair is.
In hoger beroep werd het college opnieuw geweigerd de vergunning te verlenen. Het college baseerde zich op prognoses en rapporten waaruit bleek dat de behoefte aan kinderopvang zou afnemen. De Afdeling oordeelde dat het college in redelijkheid tot deze beslissing kon komen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag de ontheffing en bouwvergunning weigeren.