202300185/1/R3.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. M III Associates B.V. en [appellant sub 1] (hierna samen en in enkelvoud: M III), gevestigd in Rijswijk (ZH),
2. [appellant sub 2], wonend in Wateringen, gemeente Westland,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2022 in zaak nr. 22/3322 in het geding tussen:
[appellant sub 2],
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college aan M III een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen naast het perceel Kerklaan 63 in Wateringen (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft M III hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
M III heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 8 juli 2024 heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist en wederom een omgevingsvergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen op het perceel.
[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 8 juli 2024.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak tegelijk met zaak nrs. 202300186/1/R3 en 202404842/1/R3 ter zitting behandeld op 5 december 2024, waar M III, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink, advocaat in Amsterdam en [gemachtigden], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. de Vet, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Aboud, G. Slagmolen, A. Klein en mr. R. Brouwer, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend op 30 december 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. M III wil de voormalige bedrijfsbebouwing en woning op het perceel slopen en daar een appartementencomplex voor 25 woningen bouwen met een hoogte van ongeveer 15,5 m. M III heeft op 30 december 2019 een aanvraag ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 25 appartementen op het perceel. Bij het besluit van 13 april 2022 heeft het college aan M III deze omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo, verleend. Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan Kern Wateringen. De beoogde ontwikkeling is voorzien op gronden met de bestemming "Bedrijf", "Tuin" en "Wonen" en met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie-2" en "Waarde - Karakteristiek". In het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning is overwogen dat de beoogde ontwikkeling in strijd is met de gebruiksregels die gelden voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" en "Tuin" en dat de ontwikkeling past binnen de gebruiksregels van de bestemming "Wonen".
3. [appellant sub 2] woont aan [locatie], naast het perceel, en heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank heeft dit beroep in de uitspraak van 17 november 2022 gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtname van de uitspraak. De rechtbank heeft daarbij geconcludeerd dat het college alsnog toereikend dient te motiveren dat het appartementencomplex ook met inachtneming van de afwijking qua bouwhoogte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en stedenbouwkundig past in het straatbeeld. Ook zal het college nader moeten motiveren dat het appartementencomplex wat bezonning en privacy betreft geen onevenredige gevolgen heeft voor [appellant sub 2]. De rechtbank heeft verder overwogen dat de beroepsgronden van [appellant sub 2] over het parkeren en verkeer en de sloop van het pand aan Kerklaan 69 niet slagen.
4. M III heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.
De hoger beroepen
Bouwhoogte
5. M III betoogt ten eerste dat de rechtbank ten onrechte heeft geconstateerd dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van de geconstateerde overschrijding van de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte. M III verwijst daarbij naar de Nota van beantwoording zienswijzen (hierna: Zienswijzenota) waarin de hoogte van het appartementencomplex is opgenomen en waarin ook de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp is toegelicht. Daarmee is de afwijking afdoende gemotiveerd.
5.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd of het appartementencomplex, vanwege de beoogde hoogte van dit complex, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit zelf bevat geen enkele afweging op dit punt. Hierin wordt, maar dan enkel voor zover het appartementencomplex wordt gerealiseerd op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en "Tuin", juist expliciet opgemerkt dat niet wordt toegekomen aan een toets van de bouwregels in het bestemmingsplan. Hoewel voor zover het beoogde appartementencomplex wordt gerealiseerd op gronden met de bestemming "Wonen" in het besluit wordt aangegeven dat niet wordt voldaan aan de bouwregels, bevat het besluit ook op dit punt geen nadere motivering over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze afwijking van de betreffende planregels. Ook blijkt niet hoe groot de overschrijding van de bouwhoogte is ten opzichte van de reeds toegestane bouwhoogte binnen de bestemming "Wonen". Uit de ruimtelijke onderbouwing en de Zienswijzenota waarnaar M III heeft verwezen volgt weliswaar welke bouwhoogte met de beoogde ontwikkeling is voorzien, maar ook hier wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe groot de overschrijding is ten opzichte van de reeds toegestane bouwhoogte en ook niet in hoeverre deze bouwhoogte ruimtelijk aanvaardbaar is. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dan ook evenmin op welke wijze de ruimtelijke gevolgen van de bouwhoogte in de ruimtelijke afweging zijn betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Stedenbouwkundige beoordeling
6. M III voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, omdat het college de toegestane bouwhoogte niet heeft betrokken bij de ruimtelijke afweging, ook de stedenbouwkundige beoordeling niet voldoet. M III wijst erop dat de stedenbouwkundige inpassing in de Zienswijzenota is toegelicht en dat bij de vormgeving en de situering van het bouwplan rekening is gehouden met de omgeving.
6.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college alsnog dient te motiveren dat het bouwplan stedenbouwkundig past in het straatbeeld. Daarvoor is het volgende van belang. Uit de Zienswijzenota blijkt wat de maximale hoogte van het appartementencomplex is en dat het complex uitgevoerd wordt met terug-liggende verdiepingen. Verder is beschreven dat het complex door de beoogde vormgeving zowel aan de straat- als aan de achterzijde minder massa heeft. Aan de zij- en achterkant is 3 m afstand aangehouden tussen het bouwplan en de naburige bebouwing. Ook ligt de rooilijn van het appartementencomplex in lijn met naastgelegen bebouwing. Ten slotte wordt in de Zienswijzenota toegelicht dat zowel het ontwerp als de buitenruimten van het ontwerp aansluiten bij de reeds bestaande bebouwing, waaronder het appartementencomplex ‘De Wingerd’ aan de overzijde van de straat. In zoverre kan M III worden gevolgd in haar betoog dat de stedenbouwkundige gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling inzichtelijk zijn gemaakt.
De te realiseren bouwhoogte en de mate waarin deze bouwhoogte afwijkt van de bouwhoogte die op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan en die dus reeds stedenbouwkundig aanvaardbaar is geacht, maken echter naar het oordeel van de Afdeling ook onderdeel uit van de stedenbouwkundige gevolgen van het plan en dus ook van de door het college op dat punt te verrichten afweging. Over de maximale hoogte van het bouwplan van 15,529 m wordt in de Zienswijzenota enkel opgemerkt dat het gebouw hierdoor 0,529 m hoger wordt dan is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat deze hoogte hoger is dan de omliggende woningen. Hiervoor is al gebleken dat het college de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. Daarnaast blijkt uit de Zienswijzenota onvoldoende dat, bij de stedenbouwkundige inpassing, rekening is gehouden met het feit dat, voor zover de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd op gronden met de bestemming "Wonen", het gebouw 5,529 m hoger wordt dan is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.
Het betoog van M III slaagt niet.
7. [appellant sub 2] voert ten aanzien van de stedenbouwkundige beoordeling aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de stedenbouwkundige beoordeling heeft mogen betrekken dat het bestemmingsplan op gronden met de bestemming "Bedrijf" een bouwhoogte van 15 m toestaat. Deze bouwhoogte is nooit gerealiseerd, laat staan dat er zicht bestaat dat een bedrijf met deze bouwhoogte zich op deze locatie zal willen en kunnen vestigen. [appellant sub 2] meent dat het college voor de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid enkel het beoogde bouwplan had moeten beoordelen.
7.1. Het college mag bij beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bouwplan en de afweging van alle betrokken belangen de fictieve gevolgen van bebouwing die op grond van het geldende bestemmingsplan mag worden gerealiseerd meewegen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2713). Het betoog slaagt niet.
Bezonning
8. M III voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de bezonningsstudie onvoldoende blijkt dat ten aanzien van de woning van [appellant sub 2] wordt voldaan aan de lichte TNO-norm en dat onvoldoende is gemotiveerd dat het appartementencomplex voor bezonning en lichtinval in het huis en de tuin van [appellant sub 2] geen onaanvaardbare gevolgen heeft. Uit de bezonningsstudie volgt volgens M III dat de bezonning op de gevel, waar de lichte TNO-norm geldt, gelijk blijft.
8.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de bezonningsstudie van 11 november 2021 onvoldoende blijkt dat aan de lichte TNO-norm wordt voldaan bij de woning van [appellant sub 2]. Omdat in de bezonningsstudie voor [locatie] de gevolgen voor de bezonning voor de gevel en de tuin gezamenlijk zijn gepresenteerd en de studie laat zien dat er op meerdere momenten een afname van de bezonning optreedt, kan uit de bezonningsstudie niet worden afgeleid of bij de gevels die zon kunnen vangen, aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. Daar komt bij dat het college ter zitting heeft toegelicht dat voor het college maatgevend is geweest of bij de woonkamer wordt voldaan aan de lichte TNO-norm en dat het college er daarbij van uit gegaan is dat de woonkamer aan de straatzijde van [locatie] is gelegen, terwijl [appellant sub 2] ter zitting heeft toegelicht dat de woonkamer juist aan de achterzijde is gelegen.
Het betoog slaagt niet.
Privacy
9. M III voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met betrekking tot de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] een nieuwe afweging moet maken waarmee inzichtelijk dient te worden gemaakt dat ook bij een overschrijding van de maximale bouwhoogte van 5,5 respectievelijk 0,5 m de privacy van [appellant sub 2] niet onevenredig wordt geschaad. Volgens M III is de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte in combinatie met de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] toereikend gemotiveerd. M III verwijst daarbij naar de Zienswijzenota, waaruit volgt dat niet kan worden uitgesloten dat het bouwplan tot enige afname van privacy zal leiden maar dat dit aspect niet als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het college betrokken dat de woningen in een bebouwde omgeving staan, waarbij een woonsituatie die geheel vrij is van enige privacy beperking niet kan worden gegarandeerd, en dat de negatieve gevolgen van het bouwplan ook zouden kunnen worden veroorzaakt door de (fictieve) realisering van een gebonden bouwplan ter plaatse dat in overeenstemming zou zijn met de regels in het geldende bestemmingsplan.
9.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke gevolgen het bouwplan heeft voor de privacy van [appellant sub 2], omdat het college de overschrijding van de maximale bouwhoogte niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. In de Zienswijzenota is in algemene zin ingegaan op de gevolgen van het bouwplan voor de privacy van [appellant sub 2] en zijn deze gevolgen afgezet tegen de negatieve gevolgen voor de privacy die ook zouden kunnen worden veroorzaakt bij het benutten van de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Hiervoor, in 5.1, is echter al overwogen dat het college de overschrijding van de bouwhoogte ten opzichte van het geldende bestemmingplan niet bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. Daaruit volgt dat het college bij de gevolgen voor de privacy van [appellant sub 2] de overschrijding van deze bouwhoogte dus evenmin voldoende heeft betrokken.
Dat klemt te meer, nu het appartementencomplex dichter bij de woning van [appellant sub 2] gerealiseerd wordt dan waar op grond van het geldende bestemmingsplan binnen de bestemming "Bedrijf" bebouwing is toegestaan. Verder is het gevolg van het voorgenomen bouwplan dat [appellant sub 2] op een afstand dichtbij zijn woning geconfronteerd wordt met hogere bebouwing dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Dit aspect heeft het college niet kenbaar bij de afweging betrokken. Ook leidt realisatie van het appartementencomplex ertoe dat een deel van de gronden met de bestemming "Wonen" maar zonder bouwvlak tot een hoogte van 15,529 m bebouwd zal worden terwijl de maximale bouwhoogte (voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) op grond van het bestemmingsplan hier 5 m is. Ook dit heeft het college niet kenbaar bij de afweging betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Verklaring van geen bedenkingen
10. [appellant sub 2] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de gemeenteraad afgegeven verklaring van geen bedenkingen aan het besluit van 13 april 2022 ten grondslag kon worden gelegd, ondanks een door de gemeenteraad aangenomen motie waarin het college wordt opgeroepen om nogmaals met de ontwikkelaar te bespreken of het appartementencomplex gewijzigd zou kunnen worden. Omdat deze handelswijze innerlijk tegenstrijdig is en uit de aangenomen motie kan worden afgeleid dat de raad de aangevraagde omgevingsvergunning nog niet heeft beoordeeld, is sprake van een gebrek in de besluitvorming.
10.1. Zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2951, is een motie alleen van betekenis in de verhouding tussen de raad en het college. Een motie leidt niet tot een juridische verplichting die de raad bij een besluit over een verklaring van geen bedenkingen in acht dient te nemen. Anders dan [appellant sub 2] meent, leidt het aannemen van een motie door de raad dan ook niet tot een gebrek in de besluitvorming van de raad over de verklaring van geen bedenkingen. In het aannemen van de motie lag dan ook voor het college geen reden om de verlening van de omgevingsvergunning niet op de verklaring van geen bedenkingen van de raad te baseren. Het betoog slaagt niet.
Sloop Kerklaan 69
11. [appellant sub 2] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de sloop van de woning aan Kerklaan 69 geen deel uitmaakt van het besluit. [appellant sub 2] stelt dat de activiteit slopen onlosmakelijk verbonden is met de verleende omgevingsvergunning omdat het bouwplan alleen kan worden gerealiseerd wanneer de woning op Kerklaan 69 wordt gesloopt.
11.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] aldus dat het college niet had kunnen volstaan met verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. [appellant sub 2] doet hierbij een beroep op artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, waaruit volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking dient te hebben op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In dezelfde bepaling wordt echter een uitzondering gemaakt voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Reeds daaruit volgt dat de door M III gevraagde omgevingsvergunning voorafgaand aan en los van overige onlosmakelijke activiteiten, voor zover daarvan sprake is, kan worden aangevraagd en verleend.
Het betoog slaagt niet.
Toepassen bestuurlijke lus
12. M III voert aan dat voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] terecht gegrond heeft geacht, de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), via het doen van een tussenuitspraak de gelegenheid had moeten geven om het geconstateerde gebrek te herstellen.
12.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1015, is de ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank toegekende bevoegdheid een zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen discretionair van aard, zodat de rechtbank, anders dan M III stelt, niet zonder meer gehouden was hiervan gebruik te maken. Zelf in de zaak voorzien
13. [appellant sub 2] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is en dat de verleende - en door de rechtbank vernietigde - omgevingsvergunning niet reparabel is. De rechtbank had het college niet in de gelegenheid moeten stellen om opnieuw te beslissen op de aanvraag.
13.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Bij het gebruik van deze bevoegdheid zal de rechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin zij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. De Afdeling is om die reden van oordeel dat de rechtbank niet de overtuiging kon hebben dat de uitkomst van het geschil slechts kon zijn dat de door M III aangevraagde omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd, zoals [appellant sub 2] betoogt.
Het betoog faalt.
Conclusie ten aanzien van het hoger beroep
14. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van M III en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond zijn.
Het besluit van 8 juli 2024
15. Met het besluit van 8 juli 2024 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor een appartementencomplex. Het college heeft de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw doorlopen en heeft, na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, op 8 juli 2024 wederom een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verleend op basis van een (deels) gewijzigde en aangevulde motivering.
16. Het hoger beroep van M III en [appellant sub 2] is, op grond van artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege gericht tegen het besluit van 8 juli 2024, tenzij dit besluit aan het hoger beroep tegemoet komt. M III heeft de Afdeling bericht te kunnen instemmen met deze omgevingsvergunning. [appellant sub 2] heeft het beroep tegen het besluit voortgezet en heeft zijn gronden tegen dit besluit uiteengezet in de brief van 29 juli 2024. Hierna worden de beroepsgronden van [appellant sub 2] besproken. Daarbij wordt ook de reactie van het college en M III op deze gronden betrokken.
Onevenredige gevolgen voor het woon- en leefklimaat
17. [appellant sub 2] voert aan dat het bouwplan waarvoor nu omgevingsvergunning is verleend, leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij wijst er daarbij ten eerste op dat het appartementencomplex op een afstand van 4 m van zijn woning zal worden gerealiseerd. Door de hoogte, omvang en massaliteit van de bebouwing heeft het bouwplan een enorme impact op zijn woon- en leefklimaat, in het bijzonder vanwege de aantasting van zijn privacy en door verminderde lichtinval in de tuin en zijn woning. [appellant sub 2] verwijst daarbij naar het bezonningsonderzoek [locatie] te Wateringen van Bezonningsinterieur.nl van 24 mei 2024 dat in opdracht van [appellant sub 2] is opgesteld. Doordat het college bij het besluit alleen de lichte TNO-norm heeft gehanteerd en geen rekening heeft gehouden met de feitelijke gevolgen, handelt het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
17.1. Het college stelt dat de invloed van het bouwplan niet zodanig is dat de komst van het appartementencomplex zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. Daarvoor acht het college van belang dat sprake is van een stedelijk gebied en dat invulling van een bedrijventerrein met woningbouw binnen een stedelijk gebied als een normale ontwikkeling kan worden beschouwd. Het college heeft onderkend dat het bouwplan, mede door het realiseren van een woonfunctie, gevolgen heeft voor de privacy, uitzicht en lichtinval van de woningen die direct zijn gelegen aan de zijkanten en achterzijde van het bouwplan, maar acht deze gevolgen aanvaardbaar in een normale, stedelijke woonsituatie ook omdat er geen sprake is van een ernstige en onaanvaardbare inbreuk op het bestaande woon- en leefklimaat. Op gronden met de bestemming "Bedrijf" is op grond van het huidige bestemmingsplan ook al bebouwing tot een bouwhoogte van 15 m mogelijk. Ook is in de vormgeving van het ontwerp rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Zo is bewust gekozen voor een terug-liggende derde en vierde verdieping, waardoor het gebouw zowel aan de straatzijde als aan de achterzijde, visueel minder massief oogt. Ter bescherming van de privacy zijn beperkingen aan het bouwplan verbonden, waaronder het realiseren en instandhouden van een groene haag aan de zijde van de woningen van de Van Gochstraat. Ter zitting heeft het college nog toegelicht dat het de impact op de woon- en leefomgeving van [appellant sub 2] als gevolg van het bouwplan aanvaardbaar heeft geacht gelet op het woningtekort.
Het college wijst er verder op dat ten behoeve van het besluit van 8 juli 2024 een nieuw bezonningsonderzoek is verricht. Het betreft de Bezonningsstudie Woningbouwontwikkeling Kerklaan te Wateringen van M3 Architecten van 26 april 2023 (hierna: bezonningsonderzoek). Uit dit onderzoek blijkt dat op de gevels die zon kunnen vangen van [locatie] voldaan wordt aan de lichte TNO-norm, waarbij is uitgegaan van minimaal twee uur per dag zon op het midden van een vensterbank aan de binnenkant van het raam. Het college heeft het bezonningsonderzoek aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd. In het bezonningsonderzoek is ook inzichtelijk gemaakt welke gevolgen voor de bezonning van tuinen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling optreden. Hiervoor gelden geen TNO-normen, aldus het bezonningsonderzoek. Maar omdat met name de schaduw van de voorgenomen nieuwbouw op de omliggende tuinen van belang is voor de kwaliteit van de woonomgeving, is er voor gekozen om tevens inzicht te geven in de effecten van het bouwplan op de tuin van omwonenden. In het bezonningsonderzoek wordt, in blokken van 3 uur, aangegeven welke veranderingen in de bezonning optreden op de gevels die zon ontvangen en in de tuinen van de omliggende woningen. Voor de woning van [appellant sub 2] wordt in het onderzoek geconcludeerd dat geen sprake is van een achteruitgang van de bezonning op de meetpunten voor de ramen door de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de bestaande situatie. Voor onder andere de tuin bij de woning van [appellant sub 2] wordt geconcludeerd dat deze beschaduwing ondervindt van de nieuwbouw in de tuin. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat uit het bezonningsonderzoek weliswaar blijkt dat de bezonning aan de achterzijde van de woning en in de tuin van [appellant sub 2] afneemt maar dat het college dit, gelet op het belang van het realiseren van nieuwe woningen, aanvaardbaar vindt, ook omdat de woonkamer van [appellant sub 2] zich aan de voorzijde van de woning bevindt.
Het door [appellant sub 2] ingediende bezonningsonderzoek is volgens het college niet bruikbaar vanwege verschillen in definities en methodiek, vooral vanwege de plek op de gevel waar is gemeten. Verder wijst het college erop dat de negatieve gevolgen van het bouwplan ook zouden worden veroorzaakt door de (fictieve) realisering van een bouwplan dat in overeenstemming zou zijn met het bestemmingsplan en dat bij het bezonningsonderzoek geen rekening is gehouden met schaduwwerking die al met gebruikmaking van de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan zou kunnen optreden.
17.2. De Afdeling komt tot de conclusie dat het college de directe gevolgen van het bouwplan voor [appellant sub 2] onvoldoende heeft meegewogen bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het appartementencomplex. Hierna zal de Afdeling uitleggen waarom zij concludeert dat het college zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van het appartementencomplex niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2].
17.3. Zoals hiervoor al is overwogen, mag het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de gevolgen van een nieuw bouwplan de gevolgen die zich voor kunnen doen bij (fictieve) realisatie van het geldende bestemmingsplan betrekken. Het college had dus in zoverre rekening mogen houden met het gegeven dat op een groot gedeelte van het perceel op grond van het geldende bestemmingsplan, binnen de bestemming "Bedrijf", al bebouwing tot 15 m is toegestaan. Het appartementencomplex wordt evenwel dichter bij de woning van [appellant sub 2] gerealiseerd dan waar de gronden met de bestemming "Bedrijf" liggen. Het gevolg van het voorgenomen bouwplan is daarmee dat [appellant sub 2] op een afstand dicht bij zijn woning en vrijwel grenzend aan zijn achtertuin geconfronteerd wordt met bebouwing van een hoogte en omvang die op grond van het geldende bestemmingsplan nu niet mogelijk is. De gronden die direct grenzen aan de woning van [appellant sub 2] hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" waar binnen het bouwvlak bebouwing met een maximum bouwhoogte van 10 m mogelijk is, dan wel buiten het bouwvlak bebouwing tot ten hoogte 5 m is toegestaan. Het voorgenomen bouwplan leidt ertoe dat ook deze gronden bebouwd mogen worden tot een hoogte van 15,529 m.
Deze directe gevolgen van het appartementencomplex op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] heeft het college niet kenbaar bij de afweging betrokken. Het college heeft volstaan met een algemene beoordeling dat sprake is van een binnenstedelijke ontwikkeling waarin minder snel sprake is van een onevenredige aantasting van het bestaande woon- en leefklimaat (waaronder het aspect privacy), en heeft ook op de zitting, desgevraagd naar de wijze waarop de gevolgen van het bouwplan voor [appellant sub 2] zijn meegewogen, voornamelijk gewezen op het belang van de realisatie van woningen. Dat terecht relevant geachte belang laat onverlet dat de gevolgen van het appartementencomplex voor [appellant sub 2] door het college afgewogen dienen te worden. Weliswaar stelt het college verder terecht dat sprake is van een stedelijke omgeving, maar deze stedelijke omgeving bestaat, zoals [appellant sub 2] heeft opgemerkt, voornamelijk uit grondgebonden woningen en niet uit bebouwing met deze hoogte en omvang, met uitzondering van appartementencomplex De Wingerd. De groensingel waarnaar het college verwijst en die (mede) dient ter bescherming van de privacy van derden, is aan de achterzijde van het appartementencomplex voorzien, en daarmee niet bij of rondom de woning van [appellant sub 2].
17.4. Wat betreft de gevolgen voor de bezonning voor de woning van [appellant sub 2] acht de Afdeling het volgende van belang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld haar uitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1095, onder 12.1, bestaan voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning om af te wijken van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het besluit betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader moet worden gekeken naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning van woningen. Het bezonningsonderzoek toont in blokken van 3 uur aan welke verandering van bezonning op de gevels van de woning van [appellant sub 2] optreedt als gevolg van het voorgenomen bouwplan. In het bezonningsonderzoek is aangesloten bij de lichte TNO-norm. De lichte TNO-norm gaat uit van minimaal twee bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Voor de woning van [appellant sub 2] wordt in het bezonningsonderzoek geconcludeerd dat op 19 februari, 21 juni en 21 oktober geen verandering van bezonning op de gevels optreedt, waarbij het onderzoek aangeeft dat op de onderzochte tijdstippen (9, 12 en 15 uur) op 19 februari en 21 juni zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie sprake is van gedeeltelijke beschaduwing. Onder ‘gedeeltelijke beschaduwing’ verstaat het onderzoek een situatie waarin weliswaar één van de meetpunten van de woning beschaduwd is maar een ander meetpunt niet. Daarmee geeft het onderzoek echter geen inzicht in het aantal minuten dat bezonning optreedt op het moment dat sprake is van gedeeltelijke beschaduwing, zodat naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende is aangetoond wat op de meetmomenten 19 februari en 21 juni de daadwerkelijke verandering in bezonning is als gevolg van het bouwplan. Daardoor is ook niet duidelijk of in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Voor de bezonning op de maatgevende gevels op 21 oktober blijkt evenmin of aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. Uit de tabel is, vanwege de gehanteerde kleur bij de tijdstippen 12 en 15 uur die niet in de legenda is gedefinieerd, het resultaat van het onderzoek niet te herleiden.
Het bezonningsonderzoek toont verder aan dat als gevolg van het voorgenomen bouwplan in de tuin van de woning van [appellant sub 2] op 19 februari en 21 oktober alleen nog maar sprake is beschaduwing terwijl uit het bezonningsonderzoek ook blijkt dat de tuin in de bestaande situatie tenminste drie uur bezonning zal ontvangen. Hoewel uit het bezonningsonderzoek volgt dat de schaduw van de voorgenomen nieuwbouw op de omliggende tuinen van belang is voor de kwaliteit van de woonomgeving, blijkt uit de verleende omgevingsvergunning niet op welke wijze het college deze gevolgen voor [appellant sub 2] daadwerkelijk in de afweging heeft betrokken. Het standpunt van het college dat het voor de gevolgen van het voorgenomen bouwplan voor de bezonning op omliggende woningen vooral van belang acht dat er voldoende bezonning in de woonkamer optreedt en dat de woonkamer veelal aan de voorzijde van een huis is gelegen, strookt niet met het bezonningsonderzoek zelf waarin wordt aangegeven dat ook de beschaduwing van de tuin relevant is voor het woon- en leefklimaat, maar ook niet met de feitelijke situatie, nu [appellant sub 2] onbetwist heeft gesteld dat de woonkamer aan de achterzijde van het huis is gelegen.
Verder kan uit het bestreden besluit en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing niet worden afgeleid welke gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] zouden optreden bij invulling van de geldende planologische mogelijkheden, terwijl het college de geldende planologische mogelijkheden kennelijk ook relevant heeft geacht bij de vraag of de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor de bezonning op de woning van [appellant sub 2] en daarmee voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] aanvaardbaar zijn. Zo heeft het college bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt welke schaduwwerking zou kunnen optreden wanneer de geldende planologische mogelijkheden worden benut. Om die reden kan ook de stelling van het college dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] bij realisatie van het appartementencomplex vergelijkbaar zijn met de gevolgen die zouden optreden bij invulling van de geldende planologische mogelijkheden, niet worden gevolgd.
Het betoog slaagt.
Conclusie ten aanzien van het beroep
18. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 8 juli 2024 is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen. Dit betekent dat het college opnieuw een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen. Het college hoeft bij het voorbereiden van een nieuw besluit afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw toe te passen.
Judiciële lus
19. Ingevolge artikel 8:113, tweede lid, van de Awb kan, indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
20. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op de aanvraag van 30 december 2019 slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
21. Het college hoeft de proceskosten van M III niet te vergoeden.
22. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] die verband houden met het beroep tegen het besluit van 8 juli 2024 vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 8 juli 2024, kenmerk D2024-00031505, gegrond;
III. vernietigt het onder II genoemde besluit;
IV. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van de bij [appellant sub 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.I. Heijkoop, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heijkoop
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
971