202307010/1/V2.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 november 2023 in zaak nr. NL23.27419 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 9 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2024, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat in Zaandam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser en mr. I.J.A. Klep, zijn verschenen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202307317/1/V2 en 202401047/1/V2.
Overwegingen
1. Appellant komt uit Soedan. Hij is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. Om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ondertekend. Omdat de minister ervan uitging dat het recht op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 zou eindigen, is zij in de loop van 2023 gestart met de behandeling van die asielaanvraag. In dat kader heeft zij aan betrokkene een vragenformulier gestuurd met daarin onder meer de vraag of hij zijn asielprocedure wil doorzetten. Nadat een antwoord, na herhaaldelijk vragen, uitbleef, heeft de minister de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
2. De Afdeling heeft bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:1999, geoordeeld dat de minister asielaanvragen van derdelanders met tijdelijke bescherming niet buiten behandeling mocht stellen, enkel omdat zij niet hebben geantwoord op het vragenformulier over het doorzetten van hun asielaanvraag (onder 7.2-7.3). De Afdeling heeft overwogen dat de verplichte vragen in het vragenformulier geen verzoeken om informatie zijn over elementen ter staving van de asielaanvraag in de zin van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000. Deze bepaling staat daarom in de weg aan het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de asielaanvraag van appellant buiten behandeling mocht stellen. De enige grief van appellant slaagt. 3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 29 augustus 2023 wordt vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 november 2023 in zaak nr. NL23.27419;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 29 augustus 2023, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.628,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
897-1003